Allerliefste
‘Ik heb een lange brief geschreven’, zegt ze. Allerliefste haalt een paar gevouwen vellen papier tevoorschijn. Ze ademt diep in en begint te lezen. Al bij de eerste zinnen stokt haar stem, met knipperende oogleden vecht ze tegen opwellende tranen.
‘Wil jij hem niet voorlezen?’, vraagt ze. Ik kan alleen maar glimlachen, blijf verder roerloos op mijn stoel zitten. Ik weet hoeveel het haar kost om de woorden die ze heeft neergeschreven nu luidop voor te lezen. Maar ze zijn te kostbaar. Nee, Allerliefste, deze zinnen zijn ingegeven door alles wat je hebt doorstaan, en dat is zo onpeilbaar dat ik je alleen maar onrecht aan kan doen door ze in jouw plaats uit te spreken. Je hebt zo hard gevochten, nog heel even nu.
In de kast ligt een centimeters dikke stapel uit een schrift gescheurde en in klein handschrift volgeschreven papiervellen. De vele lange brieven die Allerliefste in de voorbije drie maanden aan mij geschreven heeft. De verzamelde tijdingen uit Frankrijk en Spanje, het fragmentarische relaas van het wel en wee, de kommer en kwel van een lange en slopende voettocht vanuit het Franse Le Puy naar het Spaanse bedevaartsoord Santiago de Compostela. Drie maand lang heb ik ochtend na ochtend in spanning het deurtje van de brievenbus opengetrokken, in de hoop er zo’n goed gevulde envelop met schriftjespapier in aan te treffen.
Op zeventien april – die onwerkelijke maand waarin de temperatuur tot een voor de tijd van het jaar ondenkbare hoogte van dertig graden opliep en het honderd twintig jaar oude droogterecord verbroken werd – stapte Allerliefste op de trein naar Frankrijk. Aan haar zijde: Probleemmeisje, rillend in de ochtendkou, in haar kort afgesneden jeansshort en mouwloze hemdje, sigaret tussen haar gestifte lippen. Voor afscheid was er nauwelijks tijd. De ochtendspits staat niet stil bij Allerliefsten en Probleemmeisjes die lange avonturen tegemoet gaan. Alles gaat snel, veel te snel. Voor ik het goed en wel besefte, klapten de treindeuren dicht. Tussen de wriemelende pendelaars die in overvolle wagons vergeefs naar een vrije zitplaats zochten, verdwenen Allerliefste en haar beschermelinge uit het zicht. Een paar tellen later denderde het spoorweggevaarte het station uit. In haar rugzak zat een lange brief, een plechtige afscheidsbrief, die ik haar die ochtend nog had toegestopt, voor onderweg.
Probleemmeisje is zestien en een spreekwoordelijke vogel voor elke kat die haar hebben wil. Een verschoppeling, die schoppend overeind tracht te blijven, en zo elke grond onder haar voeten vandaan schopt. Ze is een instellingswicht, zestien jaar geleden op de wereld geworpen door een moeder die toen ook zestien was, een moeder wiens moeder lang geleden eveneens zestien was toen ze haar dochter baarde. In zestien jaar tijd heeft ze op zijn minst dubbel zoveel ellende gekend dan een doorsnee mens in een heel leven moet doorstaan. Natuurlijk was haar vader een dronkaard en werd ze door haar moeder te pas en te onpas in mekaar getrapt. Het spreekt voor zich dat haar ouders gescheiden zijn. En uiteraard is ze al snel terecht gekomen in het ranzige wereldje van de loverboys. Seks en drugs hebben haar tot vaste klant bij de jeugdrechter gemaakt en bezorgden haar een vaste stek in een instelling. Ze is zo’n meisje waar sociale romans en films over gemaakt worden, maar waarvoor in de realiteit nooit een echte oplossing schijnt te bestaan – misschien weet de nieuwe regering wel raad, in de aangekondigde nieuwe gevangeniscellen kan wellicht heel wat van dat schorremorrie worden weggepropt.
In de instelling wordt Probleemmeisje de kans geboden om een voettocht naar Santiago te ondernemen. Als ze de tocht van drie maand en duizend zeshonderd kilometer met succes volbrengt, mag ze terug bij haar moeder gaan wonen, of misschien zelfs alleen, onder regelmatig toezicht dan wel. Ze schrijft een brief om zich voor deze uitdaging aan te bieden. ‘Ik kan dat goed’, zegt ze later. Ze is een meester in de kunst van het verleiden en misleiden. Jeugdrechters, sociaal assistenten, opvoeders, op haar dooie gemakje draait ze iedereen rond haar vinger. Zonder enig probleem wordt ze geselecteerd voor de tocht. Allerliefste is haar begeleidster.
Probleemmeisje heeft zich in de voorbereidingsweek voorbeeldig gedragen, maar eens op Franse bodem kan ze haar straatkattenaard niet langer verborgen houden. Ze zet een hoge rug op, blaast vervaarlijk en haalt venijnig uit. Van bij dag één is Allerliefste kop van jut, de pispaal waaraan ze haar nagels scherpt. Negentig dagen te gaan. Het wordt een slopende tijd. In haar brieven doet Allerliefste verslag van de ontelbare ruzies en scheldpartijen. Het is één groot gevecht. Probleemmeisje kent niets anders, zo is haar hele leven geweest. Vechten, tegen alles en iedereen.
In een van mijn brieven aan Allerliefste schrijf ik: ‘Het is alsof het alleen in extremen kan, alsof er geen tussenweg mogelijk is. Ik kan me voorstellen dat het ook wel een beetje zo is, dat een dergelijke onderneming van zo’n extreme aard is, dat er weinig mogelijkheden liggen tussen een absoluut geloof en overtuiging en het totale ongeloof. Vandaar dat elke botsing, hoe onbenullig de aanleiding ook is, alleen maar heftig kan zijn. De omstandigheden laten weinig ruimte voor compromis, er is alleen de keuze tussen ja of nee, gaan of niet gaan, alles of niets. Een mens die teruggeworpen wordt op zichzelf, in de onverbiddelijkheid van de hem omringende natuur, wordt verplicht tot een onverbiddelijk engagement. Overwinnen of ten onder gaan. Halfslachtigheid is onmogelijk. Het is ongetwijfeld ook een strijd die jullie zijn aangegaan, voor een stuk op oorlogspad. Maar als Hannibal met zijn olifanten over de Alpen kon trekken, dan moet het jullie zeker lukken om in Compostela te geraken.’
Allerliefste is mijn oorlogsheldin.
Terwijl zij haar veldslagen levert, probeer ik opnieuw te wennen aan lege kamers, alleen eten, de lege plek naast mij in bed. Ik maak lange wandelingen, kijk veel tennis op televisie, en wijd mij geregeld aan het schrijven van lange brieven aan Allerliefste, een bezigheid waar ik snel aan gehecht raak. In deze tijd van instant communicatie is een handgeschreven brief, die verpakt in een envelop door mensenhanden moet worden bezorgd, een bijna anachronistisch ding geworden. Het doet goed om eens een tijd verplicht te worden om gebruik te maken van een communicatiemiddel dat stilaan volledig in onbruik raakt. Een handgeschreven brief vraagt veel meer tijd en concentratie, het geschrevene is veel beter overwogen. Pen en papier geven het schrijven ook een wat plechtig karakter. Woorden en zinnen die eigenhandig in inkt op het papier gevormd worden, wegen zwaarder door. Hoe je het ook draait of keert, de sms en de e-mail hebben een aanzienlijke verschraling van de taal met zich meegebracht.
Op twaalf juli – die al te werkelijke Vlaamse zomermaand waarin de regen met bakken uit de hemel valt en overstromingen tot een vertrouwd item worden – stapt Allerliefste vroeg in de ochtend uit de nachttrein die haar en Probleemmeisje van Spanje terug naar huis heeft gebracht. Drie maand stappen in één nacht overbrugd. ’s Avonds is er receptie. Het lukt Allerliefste niet om de lange brief die ze aan Probleemmeisje heeft geschreven voor te lezen. Er is een bereidwillige die hem van haar overneemt. Allerliefste trekt zich terug in de schaduw van een hoek. Haar brief is ontroerend mooi. Zelfs Probleemmeisje krijgt er de tranen van in haar overdadig opgesmukte ogen. Allerliefste is uitgeteld, op, leeggezogen en moegestreden. We gaan naar huis. Eindelijk.
Een week na haar thuiskomst loopt Allerliefste een beetje verdwaasd door de kamers. Ze weet niet zo goed waar naartoe. Ze is nogal prikkelbaar en wordt geregeld overvallen door onbedwingbare huilbuien. Meermaals per dag staat ze lang onder de douche en er moet altijd wel iets opgeruimd worden. ’s Nachts, in het schemerduister van onze slaapkamer, kijkt ze mij met glinsterende waterogen aan. ‘Ik moet naar het gekkenhuis’, zegt ze. Ik glimlach en streel haar vochtige wang. Als ze wist hoe trots ik op haar ben. Gekke Allerliefste. Ik hou van haar.
Mechelen, 30 juli 2007

Mooi…