bruiloft
Als het moment gekomen is waarop bruid en bruidegom voor God, Kerk en gemeenschap hun belofte van trouw moeten uitspreken, vraagt de priester hen op te staan en zich naar de aanwezigen te keren. Een beetje stuntelig staan ze nu tussen hun stoelen en het altaar te drentelen, als schoolkinderen die bij het bord geroepen worden voor een aartsmoeilijke rekensom. Eerst wordt hen een paar prangende vragen voor de voeten geworpen. Of ze uit vrije wil hier naartoe gekomen zijn, of ze goede christenen willen zijn, of ze kinderen als een geschenk van God willen aanvaarden en hen in een christelijke geest willen opvoeden. Beduusd en nauwelijks hoorbaar mompelen ze iets wat op ‘ja’ lijkt. Blijkbaar willen ze dat allemaal wel. Dan wordt hen verzocht elkaar de rechterhand te geven en hun trouwbelofte te verkondigen. Na wat gewriemel met handen en tekstboekjes hebben ze zich voor deze opdracht gepositioneerd. Een mens vraagt zich af waarom trouwers zich zo vastklampen aan het scenarioboekje van hun trouwmis. Een paar keer ‘ja’ antwoorden, een paar geijkte zinnetjes opdreunen, dat moet elk menselijk geheugen toch kunnen bevatten. Het zal wel iets met houvast te maken hebben, het boekje geeft in ieder geval een vast punt om naar te kijken. Beide partners lezen keurig hun voorgedrukte zinnetjes voor en mogen elkaar vervolgens de ring om de vinger schuiven. Dan vraagt de priester hen elkaar te kussen en worden ze met een applaus bedacht.
Mijn geliefde is een jeugdvriendin van de bruidegom. Ooit werd zij nog officieus voorbestemd om met hem in het bootje te stappen, wat zij zelf in ieder geval niet erg zag zitten. Of hij enige huwelijksfantasieën koesterde bij haar, is mij niet bekend. Hij gaf uiteindelijk zijn jawoord toch maar aan een ander. Maar nog diezelfde dag had hij met zijn kersverse gade een slaande ruzie en korte tijd later was hij opnieuw vrijgezel. Vandaag waagt hij de stap een tweede keer.
De plechtigheid wordt, zoals dat hoort, gevolgd door een receptie. Aan het eind van een lamentabele zomer zijn de weersomstandigheden zeker niet ongunstig te noemen. De genodigden kunnen onder een grijze maar droge hemel samendrommen op het koertje achter de feestzaal. Plateaus met schuimwijn worden met grote regelmaat aangedragen, sporadisch afgewisseld met een item van de op lepels en in kleine glaasjes geserveerde ‘walking dinner’. Bruid en bruidegom laveren afzonderlijk tussen de keuvelende kluitjes opgedirkte gasten en houden her en der halt voor een obligaat praatje.
De bruidegom verbaast zich nog steeds over het feit dat hij geen kater heeft. Zijn vrienden hebben hem tot zes uur ’s ochtends meegetroond om zijn vrijgezellenbestaan te verdrinken. Hij was stevig in de wind, maar gelukkig merkt hij daar nu niets meer van. Hoe dan ook waagt hij zich voorlopig toch liever nog niet aan een glaasje schuimwijn. Als hem gevraagd wordt waarom hij deze keer voor de Kerk wilde trouwen, haalt hij een beetje verveeld de schouders op. Voor hem hoefde die kerkelijke trouwerij helemaal niet. ‘Maar ja, je kent dat toch, dat is toch iets waar alle jonge vrouwen van dromen.’ En meteen doet hij dan ook maar een bekentenis over de trouwringen. Die van haar is een waardevol exemplaar, maar die van hem komt om zo te zeggen uit een kauwgumautomaat. ‘Ik draag geen ringen, morgen gaat hij uit.’ Ik twijfel of ik dat als een goed of een veeg teken zal zien.
Na enkele rondjes schuimwijn stapt een man, die zich doorheen een mobiel telefoongesprek in mijn richting gemanoeuvreerd heeft, kordaat op mij af. Zijn grijze pak assorteert wonderwel met de kleur van zijn haar. In zijn zog volgt een kleine vrouw in een fletse beige jurk.
‘Neemt u mij niet kwalijk…ik weet niet zo goed hoe ik u moet aanspreken. Ik ken u toch van…’
‘Ja.’
‘In de kerk zei ik het al tegen mijn vrouw, dat is Jan, van ‘Thuis’. Maar zo kan ik die man toch niet aanspreken. Daar zitten we dan elke dag naar te kijken, elke keer komt aan het eind van de uitzending de aftiteling, maar nooit hebben we de moeite genomen om daarop te lezen hoe u in werkelijheid heet.’
‘Ja, zo gaat dat. Wie leest er nog een aftiteling.’
Ik wil me daar nog wel eens over opwinden, over die aftitelingen. Beter gezegd, over hoe daar mee omgegaan wordt. In de bioscoop gaat bij de eerste letter die op het scherm verschijnt het zaallicht al aan en haast het publiek zich naar de uitgang. Niet zelden blijf ik als enige achter. Ik wil niet beweren dat ik elke letter van de aftiteling ook daadwerkelijk lees, maar het is voor mij wel een deel van de film, al is het maar als een soort uitloop, een paar minuten om mezelf een rustige overgang te gunnen van de film naar de werkelijkheid. En die laat ik mij door niets of niemand ontnemen. Niet door het zaallicht, niet door de weghollende mensen rondom mij. Zelfs de zaalwachters, die in ijltempo tussen de rijen stoelen lopen om de achtergelaten troep te verzamelen, kunnen mij niet tot vroegtijdig ophoepelen bewegen. Ik blijf koppig zitten tot de laatste letter over het scherm gerold is en de laatste noot van de soundtrack geklonken heeft. De enige die mijn blijven zitten actie kan dwarsbomen, is degene die zich in de projectiecabine bevindt. Vaak wordt van daaruit de aftiteling abrupt afgebroken, een cinematografische terreurdaad die ook altijd gepaard gaat met het aanzetten van de meest irritante achtergrondmuziek. Een schofterige brutaliteit vind ik dat, bovendien ook uitermate laf en achterbaks, want de gebruuskeerde toeschouwer heeft natuurlijk geen enkel verweer tegen de onzichtbare hand die in dat veilige en onbereikbare hokje op de knop drukt.
Op televisie is het zowaar nog veel erger gesteld. Met de komst van de commerciële televisie is de aftiteling helemaal onder vuur komen te liggen. De aftiteling wordt vandaag beschouwd als een ‘dood moment’, een te vermijden gelegenheid voor de kijker om over te schakelen op een andere zender. Commerciële zenders als VTM, Kanaal Twee en VT4 lossen dat al jaren zeer efficiënt op. Nog voor het laatste beeld van het programma volledig verdwenen is, wordt al naar de aankondiging van het volgende geknipt, of naar het volgende reclameblok. De openbare omroep, die nooit de hete adem van de commerciële vervlakking heeft kunnen weerstaan, liet niet lang op zich wachten om op allerlei meer of minder opvallende manieren komaf te maken met die ‘dode momenten’. Recent nog werd de aftiteling van alle fictieprogramma’s drastisch ingekort. Als gevolg daarvan moest een aanzienlijk deel van de programmamedewerkers van de aftiteling geschrapt worden. Daarom lopen er nu bij de openbare omroep heel wat misnoegde en verzuurde gezichten rond. Het lijkt misschien een bagatel, maar voor veel medewerkers, die vaak veel meer uren kloppen dan de ‘bekende gezichten’, is die vermelding aan het eind van het programma de enige publieke erkenning die zij kunnen krijgen. Dat hun naam plots beschouwd wordt als onderdeel van een ‘dood moment’, voelt als een pijnlijke banalisering, een ontkenning bijna van hun werk. De werkmotivatie heeft er een zeer begrijpelijke knauw door gekregen.
Ik wil de grijze man liever niet vervelen met mijn ergernis over aftitelingen en neem nog een flinke slok schuimwijn.
‘Zeg maar Dirk.’
Hij glimlacht, drukt mijn hand en stelt me voor aan zijn echtgenote, die de hele tijd al halvelings weggedoken achter zijn schouder staat toe te kijken. Met geknepen oogjes achter grote brillenglazen en een rij grote boventanden breed ontbloot, zet ze nu een stap naar voor om op haar beurt een welgemeende handdruk te geven.
‘Hoe komt u hier terecht, als ik vragen mag?’
‘Dat komt door haar’, zeg ik, wijzend naar mijn geliefde, ‘zij heeft nog…nu ja, zij kent de bruidegom nog van vroeger.’
‘Ach zo.’
‘En u?’
‘Vanwege de Rotary.’
Meneer blijkt tandarts op rust te zijn. Vroeger frequenteerde hij geregeld allerlei etentjes en recepties die georganiseerd werden door de vereniging van tandartsen. Maar daar ging de conversatie uitsluitend en tot vervelens toe over rotte tanden. Dan is hij lid geworden van de Rotary Club, en dat heeft hij als niet minder dan een bevrijding ervaren. Het heeft een wereld voor hem geopend. Nu converseert hij al eens met een bedrijfsleider, een dokter of een advocaat, en dat geeft hem toch een bredere kijk. En zo heeft hij ook de vader van de bruidegom ontmoet.
Meneer en mevrouw hebben een eigen zeilboot en morgen vertrekken ze voor een paar weken naar de Provence. Ze zullen vanavond nog langsgaan bij al hun kinderen, om afscheid te nemen. ‘Nee nee, ik mag wel zeggen dat ik het goed gedaan heb’, glundert hij. Alleen is er die ene dochter. Die is gescheiden en woont nu met haar tweede man in Nieuw-Zeeland. Hij en zijn vrouw hebben dat nooit begrepen, dat van die scheiding, ze waren best opgezet met haar ex. En of ze daar in Nieuw-Zeeland gelukkig is, dat weten ze natuurlijk niet. Ze doet daar iets met kunst, inheemse kunst. ‘Daar zijn we niet gelukkig mee’, verklaart hij stellig, terwijl hij haastig een borrelglaasje garnaalcocktail naar binnen werkt.
Een paar meter verder staat een jong stel giechelend te draaien. Zij heeft een fototoestel in haar hand. Ze probeert ongemerkt een foto van mij te maken. Een stiekeme snapshot van Jan, van ‘Thuis’. Even overweeg ik of ik haar zal uitleggen dat Jan van ‘Thuis’ zowat de grootste vergissing uit heel mijn carrière is. Een vergissing die ik enkel en alleen om den brode heb begaan. Jan heeft mij tot een publieke attractie gemaakt. Dankzij hem word ik door stadsgidsen in Mechelen als bezienswaardigheid aangewezen, komen op restaurant mensen ongegeneerd aan mijn tafel staan, roepen schoolkinderen mij de hele tijd na, zijn in cafés alle ogen op mij gericht en ben ik op huwelijksrecepties interessanter dan het bruidspaar. Als ik op tijd het loodje leg, zal mijn dood misschien een klein hoekje in de krant waard zijn. “Vooral bekend als Jan, van ‘Thuis’”, zo zal ik ongetwijfeld in de overlijdensberichten vermeld worden. Zoals Nolle Versijp, die bij zijn dood, ondanks een glansrijke carrière in het theater, in eerste instantie herinnerd werd als ‘dokter Dré’, van ‘Thuis’. Meer en meer zie ik getalenteerde theateracteurs opduiken in ‘Thuis’. Er is voor hen in het theater geen plaats meer. Dan maar naar soapland, om den brode. Nee nee, ik mag wel zeggen dat we het goed gedaan hebben.
Ik laat haar in de waan dat ik het niet gemerkt heb als ze snel haar snapshot maakt. Nog een laatste glas schuimwijn en dan…tijd voor de aftiteling. We nemen afscheid van bruid en bruidegom.
‘We wisten helemaal niet dat jij een acteur bent. Iedereen vraagt ons waarom je hier bent, maar wij kennen je niet.’
Ik druk hen dankbaar de hand.
Mechelen, 22 september 2007

Het is jammer dat acteurs, voornamelijk uit soaps, steeds worden achtervolgd door hun personage. Er wordt ook nogal eens vergeten dat jullie gewone mensen zijn die ook wel eens buiten willen komen zonder te worden aangegaapt. Het is wel zo dat, wanneer je iemand bekend op straat tegenkomt, je die mens herkent en dan heb je de neiging om te zeggen: dat is die van… Het is menselijk. Alleen staat op sommige mensen geen rem wanneer het daarop aankomt.