brief
Een paar minuten over vier. Rafael Nadal wint zijn halve finale op het tennistornooi van Roland Garros. Eindelijk. De wedstrijd duurt al drie uur en ik sta ongeduldig, met mijn jas aan, te wachten op de winnende bal. Om twintig over vier moet ik de trein naar Brussel nemen. Ik haast me naar het station. De tweede halve finale, tussen Roger Federer en de nieuwe Franse hoop Gaël Monfils, zal ik moeten missen. Hoewel, wedstrijden van de Zwitserse tennisgod zijn doorgaans nogal saai, hij wint namelijk toch. Alleen zondag wordt het weer de moeite waard, als hij opnieuw mag proberen om Rafael Nadal te kloppen in de finale van het Parijse tennisfeest, zowat de enige echte uitdaging die hem nog rest. Rafa kan de trofee voor de vierde keer op rij op zijn naam zetten. Wie mij dit finaleweekend van de televisie weg wil lokken, zal van goeden huize moeten komen.
Als ik op het perron kom, begint het te regenen. In mijn haast natuurlijk niet aan een paraplu gedacht. Ik heb een hekel aan paraplu’s. Moordwapens zijn het. Wie zich bij regen door drukbevolkte straten begeeft, moet over een flinke dosis doodsverachting beschikken. Het vergt uiterste concentratie en behendigheid om veilig tussen de talrijk opgestoken schermen te laveren. De minste onoplettendheid volstaat om door een venijnige parapluspaak in het gezicht of de nek getroffen te worden. Lelijke kwetsuren en blijvende handicaps zijn verre van ondenkbaar. Het dragen van paraplu’s moet aan een strikte reglementering onderhevig gemaakt worden. Alleen wie een brevet ‘veilig omgaan met de paraplu’ op zak heeft, mag zich met het instrument in de openbaarheid begeven. Voor wie niet over zo’n pluvergunning beschikt, is het dragen ervan gelijk aan verboden wapendracht. Uitzonderlijk zou ik nu wel zo’n wapen bij de hand willen hebben. Politieke protestacties vinden namelijk altijd plaats in open lucht, op plekken waar doorgaans bijzonder weinig beschutting is tegen de weersperikelen.
Twee dagen geleden viel in de VS het verdict in beroep in de zaak van de Cuban Five. Bijna tien jaar al zitten deze vijf Cubaanse mannen opgesloten in evenveel Amerikaanse gevangenissen. Omdat ze infiltreerden in extremistische organisaties in Miami die al decennialang terreuracties plannen en uitvoeren op Cuba. Omdat ze met het inwinnen van bezwarende informatie toekomstig onheil op Cuba wilden verhinderen. Het Amerikaanse gerecht noemt dat ’samenzwering tot spionage’ en zelfs ’samenzwering tot moord’. De ‘War on Terror’ is een exclusieve oorlog. Hij is voorbehouden aan de VS en al wie de VS goed gezind is. Wie niet tot de vriendenkring behoort, heeft niet het recht zich te verdedigen tegen terreur. Cubaanse terreurbestrijders gaan de cel in. Levenslang.
Het verdict is weinig verrassend. Voor twee van de gevangenen wordt de veroordeling bevestigd, de drie anderen verschijnen opnieuw voor de rechtbank. Alleen is dat wel de rechtbank in Miami, waar ze tien jaar geleden hun oorspronkelijke gevangenisstraffen toebedeeld kregen. Bovendien zullen ze berecht worden door dezelfde rechter als destijds. En Miami blijft, met de aanwezigheid van een aanzienlijke anti-Castro gemeenschap, het spreekwoordelijke hol van de leeuw. Een eerlijk proces is er voor deze mannen ondenkbaar.
Plaats van afspraak is de grote fontein in het Warandepark, op een fikse steenworp van de VS-ambassade. Het regent pijpestelen. Bij de fontein word ik doorgestuurd naar de nabijgelegen kiosk, waar de protestgangers enigszins beschut tegen het hondeweer kunnen verzamelen. Er heerst grote bedrijvigheid onder de grote, houten paraplu. Zou er dan eindelijk toch eens een massale opkomst genoteerd kunnen worden voor een zaak die nauwelijks de marge van het nieuws haalt? Ik zie voorwaar zelfs een camera en een echte geluidsman met een microfoon aan een lange stok. Halen we dan eindelijk toch het televisiejournaal? Als ik de kiosktrap oploop, is mijn hoop snel vervlogen. Een Zweedse vereniging heeft het idyllische plekje afgehuurd voor een privéfestiviteit. Er worden Zweedse vlaggen opgehangen, vrouwen in folkloredracht lopen af en aan, muzikanten stellen hun instrumentarium op. De Zweden zijn zo vriendelijk om het enige droge plekje in het park met ons te delen. Ons, dat moeten na verloop van tijd toch zo’n vijftien mensen zijn. Kom, laten we zeggen twintig. De opkomst wordt vlijtig genoteerd.
De lieve Zweden laten ons ook nog gebruik maken van een microfoon, zodat het kluitje manifestanten eens een keer echt versterkt kan worden toegesproken. Katrien, drijvende kracht van het Free the Five Comité, heeft telefonisch contact gehad met de broer van een van de vijf. Ze geven de moed niet op daar in Cuba. Ze hadden ook niets anders verwacht van het hof in Atlanta. Ze gaan door, met alles wat ze hebben, overtuigd dat er ooit gerechtigheid komt. En ze blijven natuurlijk rekenen op onze steun. Ik kijk om me heen naar de natgeregende actievoerders. Ach ja, alle beetjes helpen, toch?
De Zweden staan op de achtergrond te kijken. Ze begrijpen er helemaal niets van. Sommigen van hen kunnen een monkellachje nauwelijks onderdrukken. Politieke activisten, raar volkje. De toetsenman van het orkestje arriveert en wil onmiddellijk soundchecken. Zonder pardon trekt hij de schuif van onze geleende microfoon dicht. Rare jongens, die Zweden. Niettemin leest Katrien nog een gedicht voor dat een van de gevangenen recent heeft neergepend. Zonder versterking dan maar. Zo zijn we het gewend. We zouden nog overmoedig worden. Een gedicht dat oproept om niet op te geven. Ietwat gevleugelde peptalk, vooral voor hemzelf wellicht en voor de familie. Strijdlustige, politiek getinte gevangeniskrabbels in een gedichtachtige vorm. Niettemin indrukwekkend, na tien jaar, nog de rest van een leven te gaan.
Met drie trekken we dan naar de ambassade van de VS. In een kartonnen mapje hebben we een brief mee, ondertekend door alle aanwezigen. Een brief voor president Bush, waarin we met klem protesteren tegen deze schandelijke rechtsgang. De ambassade is op de hoogte van onze komst. Het is allemaal geregeld. Dat is ons door de politie bevestigd. Ik kan het niet helpen, maar in mijn hoofd klinkt onophoudelijk de tune van Mission Impossible.
Bij de ingang worden we aangesproken door twee potige kerels in een Securitas uniform. Vlaamse bewaking aan de poort van een grootmacht.
‘You are the delegation?’, vraagt een van hen.
‘Ja.’
En dan legt hij uit dat het vrijdagmiddag is, dat iedereen dan vroeg naar huis gaat voor het weekend, dat er niemand op de hoogte was van onze komst en dat er dus niemand meer is die ons kan ontvangen. Zij zullen de brief voor ons in ontvangst nemen. Allemaal in het Engels.
‘Do you have the letter?’
We overhandigen het mapje.
‘No envelope?’
‘De brief zit in het mapje’, zeg ik. Zou die snuiter nu nog altijd niet doorhebben dat we Nederlands spreken? Rare jongens, dat securityvolkje.
Het mapje met onze brief aan meneer Bush gaat door een scanner. All clear. Onze boodschap is onderweg naar de prullenbak van de presidentiële vertegenwoordiging in België. We keren terug naar het Warandepark. Mission accomplished.
Bij de kiosk zijn nog een paar medestanders op post gebleven, om te vernemen hoe het ons vergaan is. Het feestpubliek begint toe te stromen. Aan het drankstalletje naast de kiosk wordt al dapper bier geschonken. De Zweedse gastvrijheid gaat niet zo ver dat ons wat te drinken wordt aangeboden. Er wordt ons vriendelijk duidelijk gemaakt dat we nu toch maar eens mogen ophoepelen.
Op de trein terug naar Mechelen denk ik aan een regel uit een gedicht van Remco Campert: ‘Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden.’ Met vijftien uitgeregende briefdragers bijvoorbeeld. Kom, laten we zeggen twintig.
Mechelen, 6 juni 2008

Gelukkig zijn er toch altijd nog enkele idioten die zich voor een zaak inzetten …..Tja ik weet het,ben bij een heel klein politiek partijtje ,we doen regelmatig onze vergaderingen ,maar eerlijk het is gewoon vechten tegen de bierkaai ….En waarschijnlijk zo naief als we zijn we doen verder en verder en verder al is het soms zuchtend….