‘Ach ja, ze zullen ongetwijfeld weer met de hakbijl klaarstaan, de pseudo-intellectuelen met hun voorgevormde meninkjes en hun afgelijnde waardeoordelen. Egoïsten zijn ‘t: ze dringen hun hoogstaande smaak aan de rest van de mensheid op, zonder zich ooit af te vragen of die daar wel om vraagt. Er zullen ongetwijfeld fabrieksarbeiders bestaan die zich na een dagje werken aan de band wensen te verdiepen in de Canvas-programmatie, maar het merendeel wil dan gewoon in een gerieflijke sofa neerploffen en meegesleept worden door een leuk, onnozel programma. En ik bedien die mensen met veel plezier. Ik krijg het danig op mijn heupen van die mentaliteit. Zodra een muziekje het tot hoog in de hitparade schopt of een luchthartig programma een massa kijkers beroert, wordt het plots verdacht. Heel flauw is dat.’

Dat zegt Sergio (een tijdje terug in Humo) naar aanleiding van de eerste aflevering van een spelprogramma dat hij presenteert. Sergio is een man die het ongetwijfeld uitstekend zou doen als cafébaas of uitbater van een friettent (afgaand op het imago dat hij zichzelf aanmeet), maar hij moest het godbetert via de weg van de hitparade tot populaire tv-presentator schoppen.
Het moet gezegd zijn, Sergio is eerlijk in zijn uitlatingen, niet te beroerd om het niveau van zijn programma’s zelf onverbloemd te benoemen: onnozel.

Ik wil hier in geen geval het bestaansrecht van onnozele tv-programma’s betwisten. Ik heb er zelf geen enkele behoefte aan (ze ergeren mij mateloos), maar van mij mogen ze absoluut hun plek op het scherm hebben. Wat ik (onder meer) wel zeer bedenkelijk vind, is dat ze zo talrijk zijn. Wie het weekaanbod van alle zenders bij mekaar doorneemt, kan moeilijk anders dan vaststellen dat de onnozele programma’s wel erg dominant aanwezig zijn. Objectief bekeken moet toch erkend worden dat er een groot onevenwicht bestaat.

Goed, wie kritiek geeft, wordt geacht om – indien nodig – ook de hand in eigen boezem te steken. Welaan, ik geef grif toe dat ik als acteur meer dan eens mijn opwachting heb gemaakt in tv-programma’s die bezwaarlijk van een hoogstaand niveau genoemd kunnen worden. Hoe ik dat verantwoord? Heel eenvoudig. Een acteur moet ook leven. Vroeger was het zowat heiligschennis om zoiets te zeggen. Maar ja, dat was pakweg twintig jaar geleden, toen acteurs nog werk hadden. Dat is ondertussen heel anders geworden. De hele sector klaagt steen en been. Acteurs komen nauwelijks nog aan de bak. Op een minderheid na, uiteraard. En dat heeft niet altijd te maken met goed of slecht zijn. Dat heeft vaak te maken met wel of niet populair zijn. We leven in een tijd waarin alles onderworpen wordt aan de wetten van de markt. De culturele sector ontsnapt daar ook niet aan. Cultuur is een marktproduct dat verkocht moet worden. De markt is alleen geïnteresseerd in producten die massaal verkocht kunnen worden, met andere woorden in wat populair is of populair gemaakt kan worden. De kwaliteit van acteurs wordt vandaag dan ook grotendeels afgemeten aan hun persoonlijke populariteit of de populariteit van wat ze doen. Er is zo goed als alleen nog plaats voor wie goed in de markt ligt of iets te bieden heeft wat er bij het publiek als zoete koek in gaat. De tv vangt het steeds nijpender wordend tekort aan werkgelegenheid voor acteurs voor een stukje op. Maar vermits in het huidige tv-aanbod de onnozele programma’s domineren, gebeurt het niet zo gauw dat een acteur in een degelijk programma opduikt. Televisie is voor acteurs doorgaans overleven. De tijd dat het een schande was om daarvoor uit te komen, is al lang voorbij.

Maar terug naar Sergio. Ik neem aan dat tv-presentators eveneens onderhevig zijn aan de populariteitseisen van de hedendaagse cultuurmarkt, dat ook zij hun ding vaak om den brode doen. Vandaag op handen gedragen, morgen geen hond die je nog ziet staan. Ik kan het Sergio dan ook niet kwalijk nemen dat hij onnozele programma’s maakt. Wat ik hem wel kwalijk neem, is zijn categorieke veroordeling van al wie het zou wagen kritiek te leveren op zijn onnozel programma. Nog voor het op de buis geweest is, wordt wie het eventueel niet smaakt al uitgescholden voor pseudo-intellectuele egoïst.

Er is in de voorbije jaren heel wat gediscussiëerd over cultuur, meerbepaald over de tegenstelling tussen Hoge en Lage cultuur. Het klimaat waarin we doorheen die discussie terecht zijn gekomen, is er een waarin alles wat met cultuur te maken heeft volledig genivelleerd wordt. Er mag vandaag geen onderscheid meer gemaakt worden. Vandaag is alles cultuur en niets cultuur. Alles is evenveel waard en even waardeloos. Wie vandaag nog durft beweren dat een onnozel programma niet hoog op de culturele ladder kan staan of er mischien wel helemaal niet thuishoort, wordt onmiddellijk bestempeld als een aftandse, elitaire snob. Het heeft er allemaal toe geleid dat figuren als Sergio zich behoorlijk arrogant menen te kunnen opstellen, gesterkt door de overtuiging dat zij de culturele noden van de meerderheid van het publiek invullen.

Sergio’s a priori banaliseren van elke kritiek is maar één voorbeeld (er zijn er talloze) van een fenomeen dat op alle niveau’s van onze samenleving almaar toeneemt: het anti-intellectualisme en daarmee samengaand de toenemende dominantie (en arrogantie) van het onnozele (of het domme). Tegenover elk intellectualisme wordt een uitgesproken ‘volksheid’ geplaatst, als een absoluut tegendeel van het intellectuele.
In 2004 publiceerden vier vooraanstaande Vlaamse intellectuelen – Jan Blommaert, Eric Corijn, Marc Holthof en Dieter Lesage – een interessant boek (‘Populisme’) waarin zij het fenomeen van het anti-intellectualisme belichten. Marc Holthof schrijft in zijn bijdrage (‘Het comfort van domheid’) het volgende: ‘Domheid, idiotie, onbenulligheid hebben vandaag de dag een ongekende glamour. Enkel wie voor een dwaas, een simpele geest, een doodgewone lul gehouden wordt, heeft vandaag enige kans op populariteit in de politiek of de media. De mediafiguur of politicus in kwestie hoeft helemaal niet dom te zijn, hij kan (en moet bij voorkeur) een doortrapte smeerlap, een machiavellist en machtswellusteling zijn. Als wij hem maar voor een doodgewone idioot houden. Als hij maar lijkt op een personage uit ‘Dumb and Dumber’, als hij maar overkomt als het minder begaafde broertje van Forrest Gump. Domheid is in, domheid is sexy, domheid betekent succes, domheid verkoopt.’

Bij de mediafiguren is Sergio zowat een schoolvoorbeeld van wat Holthof beschrijft. Zoals ik al zei, het café of de friettent zouden hem goed afgaan. Sergio is alles behalve een intellectueel (of hij doet zich in ieder geval zo voor). Sergio cultiveert zijn imago van ‘gewone jongen’, ‘man van het volk’. In die hoedanigheid zet hij zich ook scherp af tegen de intellectueel. De intellectueel heeft een voorgevormde mening en een afgelijnd waardeoordeel, hij is dus per definitie bekrompen (terwijl de ‘gewone man’ uiteraard onbevangen, open en eerlijk kijkt). De intellectueel is een egoïst, die zijn verheven mening aan de rest van de mensheid opdringt (de ‘gewone man’ zit daar hoegenaamd niet op te wachten en is dus het slachtoffer van die intellectuele opdringerigheid). De intellectueel heeft een irritante mentaliteit, hij wantrouwt alles wat de ‘gewone man’ interessant vindt. De intellectueel is dus eigenlijk een ‘vijand van het volk’. De uitlatingen van Sergio in Humo tekenen perfect de dualiteit die in onze samenleving heerst: het ‘volkse’ tegenover het ‘intellectuele’.

Wil dat dan zeggen dat ‘volks’ gelijk is aan onnozel of dom? Nee. Dat is een treurige misvatting, die niet gemaakt wordt door de intellectuelen, maar precies door diegenen die zich opwerpen als de verdedigers van de ‘gewone man’. Het anti-intellectualisme lijkt zich altijd te vertalen in een ‘volksheid’ die vorm krijgt in onnozele producten (waarvan de onnozele tv-programma’s het meest in het oog springen). De afkeer van het intellectuele moet noodzakelijkerwijs geuit worden in de verheerlijking van het tegendeel: het onnozele. Alles vertrekt van de idee dat ‘volks’ en ‘intellectueel’ onverenigbaar zijn, als water en vuur.

Deze misvatting is meteen ook een indicatie dat het conflict tussen ‘volks’ en ‘intellectueel’ helemaal geen cultureel conflict is. Het is eerder de veruitwendiging van de algemene tendens om het geheel van de samenleving te nivelleren tot een betekenisloze consensus. Een consensus waarin het makkelijk en comfortabel leven is. Die consensus is een ideaal van de markt. Want in dat vlakke eenheidsdenken kan de consument veel makkelijker gemanipuleerd worden. Daarom probeert de markt elk segment van de samenleving in te palmen met haar logica, ook het culturele. De markt en het intellectuele gaan niet goed samen, in het ideaal van de markt moet de samenleving namelijk naar onderen genivelleerd worden. Het conflict tussen het ‘volkse’ en het ‘intellectuele’ is daarom een gecultiveerd conflict. ‘Volks’ en ‘intellectueel’ worden als onverenigbare antagonisten tegenover elkaar geplaatst met als doel een dominantie te creëren van het ‘volkse’ dat vorm gegeven wordt in onnozelheid. Holthof schrijft daarover het volgende: ‘Wij zijn niet dom, wij houden ons dom. Want het is gevaarlijk om als intelligent over te komen. Verstand, ratio, intelligentie, een intellectueel zijn, betekenen medeplichtig zijn aan alles wat er misgaat in deze wereld (en wat gaat er niet mis?). Wie rationeel is, is medeplichtig. Maar wie dom is (of zich dom houdt) is onschuldig. Hij of zij is het slachtoffer. Het slachtlam. Hij of zij ondergaat de wereld en begrijpt zelfs niet wat hem of haar overkomt. Domheid is vandaag een masker. Een masker dat men – met veel intelligentie – opzet om aan zijn verantwoordelijkheid te ontsnappen. Want wat is er makkelijker, aangenamer, en comfortabeler dan zich dom te houden?’

Holthof besluit dan ook dat wij onze toevlucht zoeken in een bewust gecultiveerde domheid en antirationaliteit. Als Sergio, zoals hij zelf beweert, op vraag van het merendeel van het publiek een onnozel programma serveert, dan doet hij precies dat: hij cultiveert de domheid en de antirationaliteit. Lang geleden zou de presentator van een dergelijk programma zich enigszins bescheiden opstellen, zich bewust van wat zijn product wel en niet waard is. In de alom tegenwoordige gecultiveerde domheid van vandaag schoppen de Sergio’s arrogant om zich heen.

In de volgende twee zeer aan te raden boeken wordt (onder meer) het fenomeen van het anti-intellectualisme behandeld:

‘Populisme’ – Jan Blommaert, Eric Corijn, Marc Holthof, Dieter Lesage (epo 2004)
‘De crisis van de democratie’ – Jan Blommaert (epo 2007)

Advertenties