Op 22 februari publiceerde de Gravensteengroep, een genootschap van Vlaamse intellectuelen, het zogeheten Gravensteenmanifest. De groep, met Etienne Vermeersch als meest in het oog springend lid, levert met dit manifest een pleidooi voor de Vlaams nationalistische verzuchtingen die vandaag hoog op de politieke agenda staan. De tekst stelt ook uitdrukkelijk de Vlaamse onafhankelijkheid als uiteindelijke consequentie voorop. U kan het Gravensteenmanifest lezen op volgend adres: http://gravensteengroep.be/manifest.php

Ik wil op dit manifest reageren door stil te staan bij twee intenties die erin naar voor komen. Ten eerste ‘het doorbreken van oude vijandbeelden’ en ten tweede ‘het ontwikkelen van een progressief Vlaams nationalistische bijdrage tot het debat’.

1. Oude vijandbeelden.

Aan het eind van het manifest schrijft het genootschap dat ‘oude vijandbeelden’ plaats moeten maken voor ‘nieuwe samenwerkingsverbanden’. Wie zal dat tegenspreken? Iedereen weet dat conflicten tussen bevolkingsgroepen – die jaren, decennia en zelfs eeuwen lang aanslepen – doorgaans gevoed worden door clichématige en hopeloos vastgeroeste vijandbeelden. Het uit de weg ruimen van dit soort eenduidige struikelblokken is een absolute voorwaarde om effectief tot nieuwe, constructieve verhoudingen te kunnen komen. De Gravensteengroep lijkt hier dus uiting te geven aan een lovenswaardige intentie. Alleen is de tekst van het Gravensteenmanifest, zowel wat betreft de vorm (de formulering, de terminologie) als wat betreft de ideeën die hij verkondigt, precies een bevestiging van die oude vijandbeelden. Het is een dualiserende tekst, die de absolute tegenstellingen alleen maar verscherpt.

Het manifest opent zijn eigenlijke betoog met het in herinnering brengen van de maatschappelijke situatie van 1830, waarin een francofone bourgeoisie haar privileges veilig stelde via een dominant, vernederend en onderdrukkend beleid tegenover de Nederlandstaligen. Het wijst vervolgens op de lange en harde strijd die gevoerd is om voor deze laatsten gelijke rechten te verwerven. Met deze kleine geschiedenisles onderstreept het manifest dubbel en dik het oudste vijandbeeld terzake, dat van de geprivilegieerde Franstalige onderdrukker.

Deze historische verwijzing ligt naar mijn gevoel in dezelfde lijn als de volgende uitspraak van Bart De Wever: ‘De Franstaligen spuwen mij uit omdat ik een nationalist ben, maar het is makkelijk om geen nationalist te zijn als je behoort tot de dominante cultuur.’ Zowel de Gravensteengroep als De Wever zoeken voor hun Vlaams nationalistische aspiraties een legitimatie in het verleden. Maar de aangehaalde maatschappelijke omstandigheden mogen dan wel een historische realiteit zijn, vandaag vormen ze een vals argument. De Franstalige dominantie, hoe reëel ook in 1830 en later, is vandaag onbestaand. De taalstrijd is al lang gestreden, én gewonnen. Het Nederlands is vandaag een door de grondwet volledig erkende en beschermde taal. De Franstaligen hebben in dit land geen andere of betere rechten dan de Nederlandstaligen. De Franstalige Belgen vormen geen cultureel front dat het Vlaamse volk overheerst. Wie vandaag komt aandraven met het spookbeeld van een francofone dominante cultuur, leeft in een ver verleden of bezondigt zich aan goedkope demagogie.

Het antwoord van Etienne Vermeersch (die tegenwoordig prat kan gaan op de titel van ‘grootste intellectueel van Vlaanderen’) op de vraag waar zijn Vlaamsgezindheid vandaan komt (in het programma Phara op 26 februari), wijst alvast in de richting van het eerste. Vermeersch verwijst eerst naar zijn grootvader, die als Vlaamse soldaat in de eerste wereldoorlog uitsluitend door Franstalige officieren gecommandeerd werd, en dan naar zijn moeder, die lange tijd dienstmeid was bij de Franstalige bourgeoisie. Het zijn vaak heel persoonlijke en emotioneel beladen geschiedenissen die aan de basis liggen van grote Vlaams nationalistische gevoelens. Ik wil geen afbreuk doen aan deze geschiedenissen, maar ze vormen zelden de basis voor een genuanceerde visie.

Om na te gaan hoezeer het manifest oude vijandbeelden versterkt, is het interessant om eens te kijken welke terminologie het manifest hanteert met betrekking tot respectievelijk de Walen en de Vlamingen. Ik zet eerst een aantal elementen uit de tekst op een rij die allemaal gerelateerd zijn aan de aard, de handelswijze en de doelstellingen van de Walen. Daarna doe ik hetzelfde voor de Vlamingen.

De Walen: bourgeoisie, prioriteiten veilig stellen, een regime gefundeerd op sociale ongelijkheid en discriminatie van de Vlaamse taal en bevolking, hoogopgeleide Franstalige inwijkelingen die geen Nederlands willen leren, een meerderheid verwerven in een grensgemeente om de grenzen te verplaatsen, het principe van de politieke solidariteit ondergraven, de discussie over sociaal-economische solidariteit onmogelijk maken, geen respect voor grens en ruimte, nood aan een ommekeer in mentaliteit, de Vlamingen moeten respect afkopen, een consensus van basisbeginselen afwijzen, cultuurimperialisme, parasitisme, verborgen politieke agenda’s, een hervorming in democratische zin afwijzen, gegijzeld door politici die zweren bij een status-quo.

De Vlamingen: redelijke en rechtvaardige eisen, het recht op eigen taal en cultuur afdwingen via een kluwen van ondoorzichtige compromissen, Verlichtingsfilosofie, democratisch gelijkheidsbeginsel, moderne visie, noodgedwongen stappen moeten zetten, welvarende regio, interpersoonlijke en interregionale solidariteit in stand houden met het hoofd én het hart, transparante politieke structuren, responsabilisering van de regionale besturen, toepassing van democratische grondrechten, onschendbaarheid van taalgrenzen, evenwicht tussen solidariteit en verantwoordelijkheid, Wallonië als bevriende partnernatie.
Wanneer we deze twee opsommingen naast mekaar zetten, wordt meteen duidelijk dat het manifest een zeer ongenuanceerde en vijandige zwart-wit verhouding tussen Walen en Vlamingen schetst. De Walen zijn elitair, onbetrouwbaar, achterbaks, respectloos, ondemocratisch, imperialistisch. De Vlamingen daarentegen zijn alleen maar redelijk, rechtvaardig, democratisch, modern, verantwoordelijk, vriendschappelijk, welwillend en het slachtoffer van de Waalse arrogantie.

Wat betreft het wegwerken van oude vijandbeelden, wat in de tekst terecht als noodzakelijk wordt aangegeven, scoort het manifest duidelijk bijzonder slecht.

2. Progressief Vlaams nationalistisch.

De Gravensteengroep richt zijn pijlen op het deel van de Vlaamse culturele wereld dat de eenheid van België verdedigt. Ik neem aan dat daarmee in ieder geval de ondertekenaars van de petitie ‘Red de Solidariteit’ bedoeld worden. Ik zelf behoor daar ook toe. De Gravensteengroep distantieert zich in scherpe bewoordingen van deze strekking en creëert een uitgesproken vijandige verhouding tussen de twee. Daarin zijn die van ’Red de Solidariteit’ ’zelfverklaard progressief’ maar eigenlijk conservatief, ze houden vast aan een status-quo en missen de trein van de geschiedenis. Die van het Gravensteen zijn in deze verhouding uiteraard de echte progressieven, die door de anderen onterecht wordt verweten dat ze niet progressief zijn en aanleunen bij een rechts tot zelfs extreem rechts gedachtengoed.

Het is voor Vermeersch en zijn Gravensteenkornuiten blijkbaar van primordiaal belang om als ‘links progressief’ erkend te worden. Maar een aantal elementen in het manifest wijzen jammerlijk op het tegendeel.

Het bevestigen en onderstrepen van ‘oude vijandbeelden’, zoals ik dat hierboven heb opgemerkt, getuigt al niet echt van een progressieve ingesteldheid.

De Gravensteengroep stelt doodeenvoudig dat een andere analyse dan de zijne ‘onaanvaardbaar’ is. Ook niet bepaald een progressieve houding.

Centraal in het manifest staat het ‘territorialiteitsprincipe’. Dat verwijst naar een akkoord uit 1932, waarin werd vastgelegd dat Vlaanderen en Wallonië ééntalige gebieden zijn. Op basis van dat akkoord beschouwt de Gravensteengroep Vlaanderen als een taalgebied waar het openbare leven uitsluitend in het Nederlands mag georganiseerd worden en dat beschermd moet worden tegen imperialistische en taalracistische manoeuvres uit het zuiden. De idee van een taalzuiver territorium klinkt op zich ook al niet bepaald progressief. Bovendien wordt in dit verband een specifiek probleem van de Brusselse randgemeenten misbruikt om te suggereren dat het volledige Vlaamse grondgebied door de Franstaligen gekoloniseerd dreigt te worden. De numeriek sterke aanwezigheid van Franstaligen in de Brusselse rand heeft alles te maken met Brussel zelf, als groeiend centrum van economische bedrijvigheid. De Franstaligen in de rand zijn dan ook in grote mate gefortuneerde zakenlui. Een zekere arrogantie zal hen zeker niet vreemd zijn. Maar het is onjuist om dit probleem voor te stellen als een op springen staande etterbuil die straks het hele Vlaamse grondgebied zal bevuilen. In het programma Phara van 16 februari wees Bart De Wever op de belangen die de aanwezigheid van buitenlandse amabassades en grote bedrijven in Brussel voor Vlaanderen vertegenwoordigen. Het is weinig progressief om enerzijds Brussel te zien als een belangrijk en groeiend economisch centrum, maar anderzijds de demografische consequenties daarvan af te wijzen.

Hierbij aansluitend is er ook de kwestie van de taalgrens. Voor de Gravensteengroep is de taalgrens gelijk aan een landsgrens. Bovendien mag er met geen vinger aan geraakt worden. Ook dat kan moeilijk progressief genoemd worden. Er bestaat wellicht geen enkele grens die vandaag haar oorspronkelijke vorm heeft. Grenzen hebben de eigenschap dat ze doorheen de geschiedenis meermaals gewijzigd worden, vaak als gevolg van demografische verschuivingen. De taalgrens beschouwen als een in beton gegoten scheidslijn, wijst niet op veel openheid voor verschuivende realiteiten.

Het manifest stelt dat wie de analyse van de Gravensteengroep niet deelt, in feite pleit voor een status-quo. Dat is pertinent onjuist. De Gravensteengroep heeft gelijk als hij zegt dat de Belgische constructie chaotisch is, het resultaat van 177 jaar lapwerk. Die constructie is inderdaad onhoudbaar, grondige veranderingen dringen zich op. We kunnen met zekerheid stellen dat de patiënt ernstig ziek is. De vraag is uiteraard welke behandeling wenselijk is. De aanbeveling van de Gravensteengroep is het consequent doordrijven van de ingeslagen weg van staatshervormingen, met een definitieve scheiding als uiterste lapmiddel. Daarbij moet de vraag gesteld worden wat de verschillende staatshervormingen opgeleverd hebben. Zijn het land en de verschillende regio’s daar inderdaad beter van geworden? Of beter, is het geheel van de bevolking daar beter van geworden? Heeft ‘meer Vlaanderen’ al noemenswaardige oplossingen opgeleverd voor fundamentele problemen als werkloosheid, huisvesting, racisme, onverdraagzaamheid, zinloos geweld, depressie, jongeren zonder perspectieven, milieu, koopkrachtdaling,…? Gaan al deze problemen uit de weg geruimd worden met de stopzetting van de zo gehekelde transfers? Weinig waarschijnlijk.

De Gravensteengroep lijkt een beetje op een dokter die zich over een mismeesterde patiënt buigt en kiest om de nefaste behandeling verder te zetten teneinde de patiënt zo snel mogelijk te laten sterven. Eerder dan progressief lijkt mij dat defaitistisch. Het land als geheel wordt als een verloren zaak beschouwd, het is de moeite niet waard om het nog te willen redden.

De vraag naar het progressieve karakter van het Vlaams nationalisme van vandaag wordt uiteraard bemoeilijkt door het feit dat nationalisme geen eenduidig begrip is. Het doet zich voor in veel verschillende vormen en gradaties en met verschillende doelstellingen. Ludo Dierickx formuleert de volgende definitie van nationalisme: ‘Het is een politieke, aansporende bedrijvigheid. Alle subjecten van deze bedrijvigheid, de actieve en passieve actoren (zij die aansporingen geven en zij die ze ondergaan), zijn herkenbaar door uiterlijke kenmerken (huidskleur, taal, godsdienst, enz.) en/of minstens geografisch lokaliseerbaar. De objecten ervan (waarden, na te streven doestellingen) hebben door hun aard of hun voorstellingswijze slechts waarde voor de betrokken subjecten en niet voor de andere aardbewoners.’ Dit lijkt mij een goede omschrijving, omdat ze nadruk legt op het exclusieve karakter van het nationalisme. Het gaat altijd om het verwerven van bepaalde voordelen voor één welomschreven groep ten opzichte van de rest. Dat kan volgens mij alleen progressief genoemd worden wanneer het nationalisme in kwestie tot doel heeft een bepaalde groep te bevrijden van een reële onderdrukking, uitbuiting en verknechting. In die zin was de Vlaamse zaak lang geleden een legitiem nationalisme. Vandaag is het dat al lang niet meer. De voordelen die beoogd worden, zijn louter politieke en economische machtsprivileges voor een Vlaamse elite.

In het programma Phara stelt Vermeersch dat het concept van een onafhankelijk Vlaanderen een ‘wapen’ is, een wapen om de Franstaligen zeg maar te dwingen om de ‘redelijke’ Vlaamse eisen te accepteren. De Gravensteengroep biedt met zijn manifest duidelijk geen opening naar een constructieve dialoog, maar stelt een ultimatum. De Franstaligen moeten buigen, of ze worden afgestoten. Progressief?
Het is duidelijk een grote frustratie van de Gravensteengroep dat zijn betoog al te makkelijk geassocieerd wordt met rechts en extreem rechts. Maar objectief bekeken, kan toch moeilijk anders dan vastgesteld worden dat de doelstellingen wel erg gelijklopend zijn. De splitsing van BHV, een taalzuiver Vlaams grondgebied, een onwrikbaar in beton gegoten taalgrens, het uitdoven van de faciliteiten en uiteindelijk zelfs het onafhankelijk Vlaanderen. Waarom zijn deze eisen bij monde van het genootschap rond Vermeersch progressiever dan in het programma van N-VA of VB? Wellicht moet dat verschil gezocht worden in de wens om het onafhankelijke Wallonië als een ‘bevriende partnerstaat’ te kunnen bejegenen, iets wat de rechterzijde niet zo direct in het vooruitzicht stelt. Een internationale oriëntatie en een grensoverschrijdende solidariteit dus, die pas mogelijk zouden worden nadat de zelfbeschikking optimaal vorm heeft gekregen in de onafhankelijkheid. Een nobele gedachte misschien, maar weinig realistisch. Vlaanderen en Wallonië leven in een conflictverhouding, een definitieve scheiding zal het gevolg zijn van een uitzichtloze conflictsituatie. Het is weinig waarschijnlijk dat twee rivalen zich na het optrekken van een definitieve grens plots welwillend en solidair zullen verhouden.
Een progressieve bijdrage aan het debat is voor mij elk pleidooi dat streeft naar een daadwerkelijk en resoluut doorbreken van elke vijandige verstandhouding, dat uitgaat van de maatschappelijke realiteit van vandaag en solidaire oplossingen beoogt voor sociale problemen waar de bevolking als geheel mee te maken heeft, problemen die niet door de ene groep kunnen opgeëist worden als veroorzaakt door de arrogantie van de andere. Een progressieve bijdrage is niet het adopteren van rechtse ideeën en ze, steunend op een legitieme maar voorbije sociale strijd, voorstellen als ‘links progressief’.

Een paar leestips:
‘Nationalisme -kritische opstellen’ – Raymond Detrez en Jan Blommaert (epo 1994)
‘Racisme: een element in het conflict tussen Vlamingen en Franstaligen?’ – Morelli, Dierickx, Lesage e.a. (epo 1998)

Advertenties