‘The invasion of Iraq was a criminal act.
The occupation of Iraq remains a criminal act.
The Britisch government under Blair and the United States administration are war criminals.
It’s as simple as that.’ – Harold Pinter, winnaar Nobelprijs literatuur 2005

Op negentien maart was het precies vijf jaar geleden dat de VS en hun bondgenoten een grootscheepse militaire aanval tegen Irak ontketenden. ‘Shock and Awe’, dat was de oorlogsstrategie die daarbij gevolgd werd: de vijand met een overdadige machtsontplooiing overdonderen, zodat de hele operatie in een mum van tijd succesvol afgerond zou kunnen worden. Het draaide enigszins anders uit. De oorlog gaat vandaag nog altijd door, de VS houden Irak nog altijd bezet, er heerst absolute chaos, een miljoen Irakezen zijn gedood, vier miljoen mensen zijn op de vlucht, vierduizend Amerikaanse soldaten werden in body bags naar huis gevlogen.

Naar aanleiding van deze macabere verjaardag nodigde ‘The BRussels Tribunal’ een aantal Belgische en buitenlandse schrijvers uit om in een ‘bericht aan de bevolking’ een reflectie op de aanhoudende oorlog en bezetting te formuleren. Een kleine honderd auteurs gingen daarop in, hun teksten staan te lezen op http://www.brusselstribunal.org. De in New York woonachtige Nederlandse schrijver Arnon Grunberg wilde op de uitnodiging niet ingaan. In zijn wekelijkse bijdrage aan Humo legt hij uit waarom (Humo nr. 3522, 4 maart). Grunberg levert daarmee wellicht een van de meest cynische commentaren bij een van de schandelijkste crisissen van onze tijd.

Bij het begin van zijn betoog schrijft Grunberg: ’Ook ik ben tegen de oorlog, tegen de totale en minder totale. Ik denk dat het u moeite gaat kosten één iemand te vinden die voor oorlog is. Zelfs zij die oorlogen beginnen, zijn er over het algemeen tegen.’ Een interessante verklaring om even bij stil te staan. Ze klinkt zo vanzelfsprekend dat het misplaatst lijkt om de oprechtheid ervan in vraag te stellen. Maar na verdere lezing van Grunbergs tekst, zou ik ze toch op zijn minst twijfelachtig durven noemen. En dat voor beide partijen waarop ze betrekking heeft: ‘ik’ (Grunberg dus) en ‘zij die oorlogen beginnen’.

Laten we beginnen bij ‘zij die oorlogen beginnen’. In dit geval zijn dat de ultra-rechtse havikken in en achter de Amerikaanse regering, met prominente figuren als Dick Cheney, Paul Wolfowitz, Donald Rumsfeld en natuurlijk George W. himself. Zouden deze heren werkelijk afkerig staan tegenover elk oorlogsgeweld? Uiteraard herhalen zij met grote regelmaat hoe zwaar het hen weegt om de verschrikkelijke keuze voor de oorlog te moeten maken en plengen zij dikke krokodillentranen voor het onvermijdelijk menselijk leed dat met elke militaire actie gepaard gaat. Maar dat is retoriek, en retoriek is behang. En ik mag aannemen dat ook Arnon Grunberg niet zo naïef is om zich te laten leiden door aandoenlijk muurversiersel.

Voor wie wil weten wat er achter het behang zit, is er één groot voordeel. De tenoren van de Amerikaanse ultra-rechtse politiek zijn zo vol van zichzelf en zo overtuigd van hun grote gelijk, dat ze nauwelijks enige schroom kennen om hun intenties, strategieën en doelstellingen publiek te maken. Het staat allemaal netjes gepubliceerd in boeken, rapporten en documenten, die zonder al te veel moeite verkrijgbaar zijn. Met betrekking tot de vraag of de hardliners van Washington voor of tegen de oorlog zijn, is het dan ook nuttig om een aantal van die publicaties wat nader te bekijken.

Neem bijvoorbeeld het boek ‘Krijgspolitiek – lessen voor de toekomst van klassieke denkers’, een werk dat in 2002 gepubliceerd werd door Robert D. Kaplan, journalist en tevens adviseur van de Amerikaanse strijdmacht en veiligheidsdiensten. Aan de hand van het werk van klassieke denkers als Thucydides, Machiavelli, Hobbes en Churchill, wil Kaplan de huidige leiders van de VS een leidraad bieden voor een sterk leiderschap, dat op doortastende wijze het hoofd kan bieden aan de gevaren van de wereld van vandaag.

Opmerkelijk is vooreerst het wereldbeeld dat in dit boek geschetst wordt. Kaplan gaat uit van een onveranderlijke en dualistische wereld. Enerzijds is er de welvarende, hoog ontwikkelde en beschaafde westerse wereld (waarvan de VS uiteraard de belangrijkste vertegenwoordigers zijn), anderzijds is er de onbeschaafde wereld van de achterlijke barbaren. Die laatste wereld vormt een permanente bedreiging voor de eerste. In dat grote Rijk van het Kwaad ontwikkelen zich namelijk allerlei ‘populistische’ en gewelddadige bewegingen, ‘gemotiveerd door religieuze en sektarische overtuigingen’. Deze bewegingen maken gebruik van moderne technologie om onrust te zaaien en de westerse wereld aan te vallen.

Deze antagonistische opsplitsing is voor Kaplan een onveranderlijk gegeven. De wereld is nu eenmaal een amoreel oorlogsgebied, de barbarij kan wel beteugeld maar niet uitgeroeid worden. Kaplan laat dan ook geen twijfel bestaan over wat de toekomst ons te bieden heeft. De westerse wereld krijgt in hoge mate te maken met gewetenloze agressors. Deze nieuwe vijanden zullen niet vechten volgens de ‘Amerikaanse eerlijkheidsnormen’, maar aanvallen bij verrassing. Ze zullen ‘opereren buiten internationaal aanvaarde normen- en waardenstelsels om, zodat het plegen van wreedheden een geëigende manier van oorlogvoering wordt’. ‘Conventionele oorlog’ zal zeldzaam zijn, we moeten ons daarentegen verwachten aan een ‘chemische en biologische versie van Pearl Harbour’.

Conflicten zijn volgens Kaplan inherent aan wat hij noemt het ‘menselijk tekort’. Niets aan te doen dus. Een mening waarin Kaplan onder meer wordt bijgetreden door Francis Fukuyama (Amerikaans econoom), die in zijn ophefmakende boek ‘Het einde van de geschiedenis en de laatste mens’ betoogt dat de mensheid nu eenmaal uit conflict geboren is en dus voorbestemd om in conflict te bestaan. In een (utopische) wereld zonder conflict zou de mens zich alleen maar stierlijk vervelen. Conflict is dus noodzakelijk. Bovendien, zo schrijft Fukuyama, zullen de ‘goede staten’ zich altijd geconfronteerd weten met ’slechte staten’, die geen middelen zullen schuwen om hun ambities waar te maken.

Zeer opmerkelijk bij Robert D. Kaplan – en daarin zit wellicht het meest perverse van zijn betoog – is dat hij zeer nuchter aangeeft dat de dualiteit in zijn wereldbeeld in grote mate veroorzaakt wordt door het wereldkapitalisme. Hij schrijft onverbloemd dat ‘de woede van de bevolking’ gevoed wordt door ’sociale en economische spanningen’, dat de ‘voordelen van het kapitalisme’ niet gelijkelijk verdeeld zijn, dat de ‘kapitalistische expansie’ leidt tot een tegenstelling tussen ‘ondernemende nieuwe rijken’ en een ‘nieuw subproletariaat’ van ‘miljarden werkende armen’, dat de ongelijkheid in de toekomst enorme proporties zal aannemen en dat terrorisme daarvan het resultaat is. Maar dat is voor Kaplan nu eenmaal de orde van onze onveranderlijke wereld. We moeten dan ook niet proberen om de voedingsbodem voor sociale onrust, verzet, opstand, extremisme, geweld en terreur weg te werken. Nee, we moeten kennis nemen van de wereld zoals hij is, daaruit opmaken dat er in de toekomst nog onnoemelijk veel geweld uit het Barbarenrijk op ons af zal komen en ervoor zorgen dat we daar tegen opgewassen zijn. We moeten dan ook ophouden te geloven dat er voor de conflicten in deze wereld oplossingen bestaan. Die zijn er namelijk niet, aldus Kaplan, er zijn alleen ‘verwarring en onbevredigende keuzes’.
Hedendaagse leiders moeten volgens Kaplan dus beseffen dat ‘de wereld niet modern of postmodern is, maar slechts een voortzetting van de oudheid’. Ze moeten zich dan ook niet laten hinderen door allerlei morele overwegingen, maar een realpolitiek ontwikkelen die gebaseerd is op eigenbelang en noodzaak. Als er al sprake kan zijn van een moraal, dan moet die gebaseerd zijn op resultaten en niet op goede bedoelingen. Waarden, welke ze ook zijn, kunnen alleen kracht bijgezet worden met wapens. En omdat de mens van nature geneigd is tot conflict, is er nood aan een hogere, controlerende macht (uiteraard de VS). Die controlerende macht moet zich laten leiden door het machiavellistische principe dat vooruitgang alleen geboekt kan worden door anderen pijn te doen.

Een ander verhelderend boek is ‘Balans van de macht – de kloof tussen Amerika en Europa’ van Robert Kagan (politiek commentator). Volgens Kagan zitten de VS vast in ‘het moeras van de historische realiteit’. Daarin zijn internationale wetten en regels onbetrouwbaar en kunnen veiligheid en een liberale wereldorde alleen verzekerd worden door het bezit en het gebruik van militaire macht. We leven in een ‘wetteloze wereld, waarin outlaws moeten worden afgeschrikt of uit de weg geruimd, dikwijls met de loop van het geweer’. De VS moeten daarom optreden als ‘internationale sheriff’, zij hebben de taak om de muren van de beschaafde wereld te bemannen en ‘af te rekenen met de Saddams en de ayatolla’s, de Kim Yong Ils en de Jiang Zemins’.

Dat is voor Kagan een historische missie. De ‘uitbreiding van het Amerikaanse grondgebied en de Amerikaanse invloedssfeer vormt de onontkoombare realiteit van de Amerikaanse geschiedenis’. En ook al erkent hij dat deze missie nauw samenhangt met het Amerikaanse eigenbelang, toch kan er volgens hem geen twijfel over bestaan dat de Amerikaanse belangen overeenstemmen met de belangen van de wereld en dat de Amerikaanse opstelling het ‘algehele nut van de beschaafde wereld’ dient. Zo stelt Kagan dat als Europa vandaag leeft in een ‘kantiaans paradijs’ van vrede en relatieve welvaart, dat slechts te danken is aan de Amerikaanse veiligheidsparaplu. Alleen dankzij de Amerikaanse grootmoedigheid kan Europa het zich veroorloven om veel geld te geven aan ‘programma’s voor sociale zekerheid, lange vakanties en kortere werkweken’.

In de postmoderne wereld moeten we volgens Kagan wennen aan de idee van een dubbele maatstaf: ‘onder elkaar houden we ons aan de wet, maar wanneer we in de jungle opereren, moeten ook wij de wetten van de jungle hanteren’. De VS ‘moeten weigeren om zich aan bepaalde internationale conventies te houden’, zij ‘moeten af en toe unilateraal optreden’. In het belang van de (beschaafde) wereld is een militair dominant Amerika volgens Kagan onmisbaar, en hij raadt Europa aan om in navolging van de VS te investeren in een Europese militaire capaciteit.

Het denken van Kaplan, Fukuyama en Kagan is terug te vinden in een rapport van ‘The Project for the New American Century’ (PNAC), een ultra-rechtse denktank die werd opgericht in 1997. Robert Kagan was een van de initiatiefnemers. Bij de ondertekenaars van de intentieverklaring van de organisatie treffen we Francis Fukuyama, Jeb Bush (broer van George W.), Dick Cheney, Donald Rumsfeld en Paul Wolfowitz. De laatste drie hebben sleutelposities ingenomen in de regering Bush jr.

In september 2000, kort voor de eerste verkiezing van Bush, publiceerde PNAC het rapport ‘Rebuilding America’s Defenses: Strategies, Forces and Resources for a New Century’. Dat rapport moest het grondplan vormen voor de nieuwe regering om een politiek te ontwikkelen die zou leiden tot een absolute Amerikaanse werelddominantie. Hoe moet die werelddominatie gerealiseerd worden? Heel eenvoudig: er moet massaal geïnvesteerd worden in de uitbouw van de militaire capaciteit (bewapening, manschappen, buitenlandse bases,…). Het Amerikaanse leger moet in staat zijn om tegelijkertijd meerdere oorlogen te voeren. Opmerkelijk is ook dat in dit document (vóór 9/11) gepleit wordt voor de strategie van de ‘preventieve aanval’.

Vermits een aantal prominente figuren bij PNAC ook hun opwachting maakten in de regering Bush, bleef het document hoegenaamd geen dode letter. In 2002 presenteerde het Witte Huis de ‘National Security Strategy of the Unites States of America’. In dit document werden de ‘preventieve aanval’ en de grootschalige militarisering van het buitenlands beleid geofficialiseerd.

Het sluit allemaal naadloos aan. Kaplan, Kagan en Fukuyama als invloedrijke opiniemakers. Het PNAC met Kagan, Fukuyama, Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz als ontwerpers van grote strategieën. Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz als kopstukken in de regering Bush. De oorlogsdoctrine is een feit. Als we spreken over ‘zij die oorlogen beginnen’, dan zijn dat in dit geval lieden als Bush, Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz. Zijn zij tégen de oorlog? Het lijkt mij erg naïef om dat aan te nemen. Zij die de oorlog in Irak begonnen zijn, zijn voluit vóór de oorlog.

En dan Arnon Grunberg. Is hij tégen de oorlog? Naar eigen zeggen en schrijven dus wel. Maar een en ander doet het tegendeel vermoeden.

Grunberg schrijft dat het aanvallen van Afghanistan en Irak als reactie op 9/11 niet logisch was. Hij geeft aan dat de VS zeer bedenkelijke banden hebben met Saoudi-Arabië, een land met een ‘ongelooflijk repressief regime’, waarbij dat van Iran ‘verlicht’ is. Dat Saoudi-Arabië na 9/11 ontzien werd, komt volgens Grunberg omdat Bush ‘met zijn hoofd diep in de aars van koning Fahd zat’. Zeer juist. Grunberg schijnt dus heel goed te weten dat Irak aangevallen werd op basis van drogredenen. Maar toch lijkt dat voor hem te pardoneren. Waarom? Omdat ‘Saddam Hoessein niet bepaald een aangenaam staatshoofd was’. Een illegale oorlog, gemotiveerd met leugens, kan niet eenduidig veroordeeld worden, omdat hij toch maar een einde heeft gemaakt aan het bewind van een dictator. Daarmee sluit Grunberg aan bij de officiële oorlogsretoriek van de regering Bush. Was het immers niet allemaal te doen om ‘regime change’, om de Arabische Hitler te verjagen en ‘to make this world a better and safer place’? Is dit ook niet wat Bush verklaarde nadat gebleken was dat er in Irak geen massavernietingswapens waren, namelijk dat de oorlog toch zinvol was omdat de wereld zonder Saddam hoe dan ook beter af is? Grunberg deelt hier de Far West visie van Robert Kagan, als die stelt dat de VS de historische opdracht hebben om als wereldsheriff af te rekenen met de Saddams van deze wereld, ook al is dat dan maar een handig meegenomen neveneffect van de werkelijke doestellingen.

Over de uitnodiging om een ‘bericht aan de bevolking’ te schrijven en de website van ‘The BRussels Tribunal’ schrijft Grunberg: ‘Er wordt weliswaar iets gezegd over een humanitaire catastrofe, maar geen twijfel kan er over bestaan wie verantwoordelijk is voor deze catastrofe: het Vierde Rijk alias Amerika. Alsof zij die de bloedige burgeroorlog daar uitvechten, zij die de opdracht geven tot zelfmoordaanslagen en zij die de aanslagen uitvoeren, niet meer zijn dan pionnen in handen van Amerika.’ Een land (voor de derde keer) naar de verdoemenis bombarderen (na het ook twaalf jaar onderworpen te hebben aan moordende sancties), dat land militair bezetten, het bestuur in handen geven van opportunistische locale handlangers…dat alles zou dus niet zoveel bijdragen aan de instabiliteit? Nee, voor Grunberg is de chaos voor rekening van de extremisten. Hij vervolgt: ‘Denkt u dat de soennitische opstandelingen (om het woord ‘extremisten’ te vermijden) te verkiezen zijn boven de Amerikanen? Denkt u dat de militie van Moktada Al-Sadr te verkiezen is boven het Amerikaanse leger? Denkt u dat de wereld een betere wereld zal worden als het Amerikaanse leger zich verslagen uit Irak zal terugtrekken?’ De keuze is dus eenvoudig: óf de Amerikanen óf de barbarij. De Amerikaanse bezetting is boven alles te verkiezen. Dit standpunt sluit naadloos aan bij het duale wereldbeeld van Kaplan, Kagan en de warlords in de regering Bush: buiten de grenzen van onze Goede Wereld heerst de barbarij en die moet, in het welbegrepen eigenbelang van de Goede Wereld, beteugeld worden. De terugtrekking van het Amerikaanse leger uit Irak kan nooit leiden tot een ‘betere wereld’. Ook hier weerklinkt de retoriek van Bush, waarin gesteld wordt dat de Amerikanen in Irak moeten blijven ‘zolang dat nodig is’. Hoe lang is dat dan? Zolang de ‘Pax Americana’ geen feit is.

Als klap op de vuurpijl schrijft Grunberg het volgende: ‘Meer nog dan gebrekkig getalenteerde politici is het het humanisme dat de Amerikanen fataal is geworden in Irak. Hadden zij een voorbeeld genomen aan het Romeinse Rijk, of recenter aan Syrië, dan was het nu allemaal pais en vree in Irak. Toen er in 1982 een opstand uitbrak is de Syrische stad Hama met de grond gelijk gemaakt. Daarna werd het rustig in Syrië.’ Hiermee sluit Grunberg helemaal aan bij het denken van de ultra-rechtse havikken. Net als Kaplan en Kagan wijst ook hij op de hinderlijkheid en de inefficiëntie van humane overwegingen in tijden van oorlog. Ook hij verwijst naar de oudheid als inspiratiebron voor efficiënte oorlogsvoering. De Romeinen indachtig is er maar één optie: de genadeloze en totale vernietiging van de vijand. Voor Grunberg is het allemaal nog geen ‘Shock and Awe’ genoeg.

De bewering dat de VS in Irak in de problemen zitten omwille van hun ‘humanisme’ is overigens niet weinig cynisch. Een illegale en op leugens gebaseerde oorlog, één miljoen doden, vier miljoen vluchtelingen, het gebruik van clusterbommen en verarmd uranium, het inzetten van doodseskaders, folterpraktijken…, het lijkt er niet zo direct op te wijzen dat de VS aan het front heel erg geplaagd worden door humanisme.

Grunberg heeft geen ‘bericht aan de bevolking’ geschreven omdat hij zich distantieert van ‘een project dat Amerika voorstelt als het Vierde Rijk’. Nochthans is duidelijk dat de huidige beleidsmakers in de VS niets anders voor ogen hebben dan een Amerikaanse wereldheerschappij, die in zeer grote mate met militaire middelen gerealiseerd moet worden. Maar dat is een realiteit die Grunberg liever niet ziet. Integendeel sluit hij zich in een aantal opzichten aan bij de visie en de retoriek van ‘zij die oorlogen beginnen’. Is Arnon Grunberg dan tégen de oorlog? Nee, Arnon Grunberg is vóór de oorlog.

Grunberg vraagt zich af wat het ‘verzamelen van berichten aan de bevolking’ kan bijdragen aan een ‘betere wereld’. Dat is een goede vraag. Samir Kadher, producer bij het Arabische tv-station Al Jazeera, zegt in een documentaire: ‘De geschiedenis leert dat de mens een kort geheugen heeft.’ Als het over menselijke wandaden gaat, is dat ontegensprekelijk juist. Oorlogen volgen elkaar in sneltempo op. Keer op keer worden dezelfde misdadige scenario’s herhaald. Zodra de gruwel geen ‘hot news’ meer is, wordt hij vergeten en is de weg vrij voor de volgende episode. Misschien kunnen ‘berichten aan de bevolking’ daar iets tegen inbrengen. Een schrijver die het geschreven woord daartoe niet in staat acht, moet een wel erg cynische dunk hebben van zijn bezigheid.

Advertenties