Beste Johan Sanctorum,

in De Standaard van 14 mei gaat u heftig tekeer tegen de artiesten die volgende zondag deelnemen aan het Belgavox-concert aan het Atomium in Brussel. Ik sta zelf niet op de affiche, maar voel mij als acteur en sympathisant van het initiatief wel door uw uitlatingen aangesproken. Dat u als vurig pleitbezorger van de Vlaamse Republiek niet opgezet bent met een muzikaal evenement dat de Belgische eenheid wil bevorderen, dat spreekt voor zich. Maar wat mij mateloos ergert, is de platvloerse manier waarop u mensen uit de culturele sector die uw Vlaamse luchtspiegelingen niet appreciëren, beschimpt en bespuwt. U verwijt hen dat ze zich verliezen in ‘het flou van de feel-good-shows, Sportpaleisachtige massa-euforie, goedkope emo-filosofietjes rond samenhorigheid en de regelrechte politieke manipulatie die hen ontgaat’. U beweert dat achter hun engagement ‘een behoorlijke dosis onnozelheid en gebrek aan kritische massa’ schuilt. Ze vormen voor u dan ook ‘het naïefste deel van onze gitaarpopulatie’.

U hebt gelijk als u zegt dat mensen in het culturele veld hun standpunten zelden met intellectuele argumenten onderbouwen. Ze doen dat inderdaad veelal vanuit de buik, met gevoelsargumenten. Maar het getuigt van een zeer ergerlijk dédain om hen daarom meteen af te schilderen als idioten die zich gewillig laten manipuleren ten behoeve van allerlei duistere politieke doeleinden. Voor mij sluiten de artiesten die aan het Belgavox-concert deelnemen aan bij de meerderheid van Belgische burgers die met hun kleine teen aanvoelen dat het communautaire gewauwel en de schreeuw om Vlaamse onafhankelijkheid voortkomen uit allerlei obscure betrachtingen waar geen zinnig mens enige boodschap aan heeft. Zo zegt het buikgevoel van menig burger bijvoorbeeld heel duidelijk dat een onafhankelijk Vlaanderen in geen enkel opzicht de geschikte remedie kan zijn voor de financieel-economische crisis die vandaag de hele wereld treft. En ik denk dat deze vanuit de buik gestuurde mening (hoe wispelturig en tegenstrijdig door de buik gestuurde meningen ook kunnen zijn) door een intellectueel als uzelf gerespecteerd moet worden, ook al druist ze in tegen uw intellectueel gemotiveerde overtuiging. Desgewenst kan u proberen ze op een beschaafde manier te beïnvloeden. Maar u verkiest erop te spuwen. En daarmee verraadt u een ondraaglijk elitarisme. Meningen zijn niet exclusief voorbehouden voor het verheven intellectuelenkluitje waartoe u behoort. Wat bovendien ook van een onsmakelijke pretentie getuigt, is dat u er blijkbaar van uitgaat dat artiesten geen politieke mening kunnen hebben. Als ze zich over een politiek thema uitspreken, zijn ze volgens u per definitie misleid. De artiesten die zondag aantreden, hebben zich dus natuurlijk blindelings voor de kar laten spannen van de Belgicistische lobby. Dat al deze mensen, om welke uiteenlopende redenen dan ook, de valabele overtuiging zouden kunnen koesteren dat separatistische plannen geen heil brengen en het op de spits gedreven antagonisme tussen Vlamingen, Walen en Brusselaars een hoog ontwikkelde samenleving als de onze onwaardig is, dat is voor u duidelijk geen optie. Artiesten zijn dom en naïef, zo eenvoudig is het.

In november vorig jaar publiceerde u een tekst waarin u een schare Vlaamse schrijvers schoffeert, omdat ze niet willen meegaan in uw Vlaams visioen. In die tekst stelt u dat schrijvers als Hugo Claus, Tom Lanoye, Dimitri Verhulst en nog een rij anderen hun Vlaamse identiteit – die ze in hun werk rijkelijk zouden etaleren en cultiveren – als ‘zelfverklaarde rebellen van overwegend links-progressieve gezindheid’ luidruchtig ontkennen. U noemt hen daarom pathetische ‘parvenu’s die hun afkomst uitstralen én ontkennen’. De vraag die bij dit soort stellingen altijd opduikt is natuurlijk wat die Vlaamse identiteit dan toch wel moge zijn. Maar gelukkig geeft u daarover in uw tekst enige toelichting. Een paar citaten: ‘We zijn ook echte boeren, laag bij de gronds, zonder enige intellectuele aristocratie. Het slijk heeft ons gevormd, meer dan wij de aarde.’ ; ‘Het Menapisch rook naar de aarde, was zwaar, vettig en zwartbruin, de Vlaamse kunst was klodderig en onaf, compositie-arm.’ ; ‘We zijn noch democraten, noch vredelievend, noch rationeel, om de simpele redenen dat kinderen, honden, dwergen, mestkevers,…en al wat dicht bij de aarde leeft, dat ook niet zijn. Het slijk van de IJzervlakte, met alles wat daaraan voorafging en erop volgde, hangt aan ons vel als een tweede huid en vrat zich een weg naar binnen. We zijn “fascisten”, in de infrapolitieke zin die L.P. Boon, Claus en Verhulst er onbedoeld aan gaven: stout, ongemanierd, lomp en lelijk. En zelfs bepaald agressief, anaal gefixeerd, crapuleus, scabreus.’ Het valt mij altijd op dat wanneer de vraag gesteld wordt naar een concrete invulling van het begrip Vlaamse identiteit, er weinig anders uit de bus komt dan wat Breugheliaanse folklore. Pensenkermis, slijk en de geur van stront, ziedaar de Vlaamse identiteit. Dit soort Vlaamse kleiromantiek is misschien leuk om achter uw filosofenbureau te belijden, maar boer Wortel en boer Van Paemel behoren (gelukkig) tot de literaire geschiedenis. En ja, met verse koeiendrek bemeste akkers ruiken lekker, maar aan de andere kant van de taalgrens ruikt die drek precies hetzelfde. U zal het wellicht niet graag horen, maar Vlaamse koeien schijten geen vlaaien met een apart odeur. ‘Van slijk zijn we, en tot slijk zullen we terugkeren’, zegt u aan het eind van uw tekst en u roept de Vlaamse auteurs op om te erkennen wat ze volgens u zouden zijn, namelijk Vlaamse ‘fascisten’. Meer nog, u vindt dat ze die titel als een geuzennaam zouden moeten dragen. Uw spielerei met het woord facisme is ongetwijfeld in grote mate bedoeld als een intellectuele provocatie, maar niettemin zit er een kwalijk geurtje aan. Pensen zijn best lekker, maar als ze geserveerd worden als Vlaamse plat de résistance, dan lust ik ze niet.

Het is voor u wellicht moeilijk te verteren dat uit zowat alle peilingen blijkt dat er voor uw onafhankelijk Vlaanderen absoluut geen meerderheid bestaat. Een ietwat geciviliseerd mens zou zich daarbij neerleggen, of zijn zaak verder bepleiten met een geargumenteerd vertoog. Platvloerse scheldpartijen zijn namelijk zo beschamend. Ze verraden altijd een grote onmacht, een onredelijke nijdigheid en vooral een hondslelijke onverdraagzaamheid. Maar misschien behoort dat ook allemaal tot die met mest geparfumeerde Vlaamse eigenheid.

Ik moet uw geuzennaam niet, meneer Sanctorum. En ik vermoed dat de ruim vijftig artiesten die zondag optreden evenmin geïnteresseerd zullen zijn. En dat is geen weigering uit naïviteit of een plotse opstoot van gemanipuleerd patriottisme, dat is een weloverwogen keuze.

Advertenties