In een opiniestuk in De Standaard van 30 september spuwt Luckas Vander Taelen (Groen!) eens duchtig zijn gal over de dagdagelijkse hinder die hij ondervindt van het migrantencanaille in de Brusselse buurt waar hij woonachtig is. Het allochtone schorremorrie parkeert er dubbel, blokkeert de kruispunten voor een praatje, beschouwt de buurt als privédomein, negeert elke snelheidsbeperking, scheldt de brave burger die een opmerking durft te maken de huid vol of spuwt hem – zoals de ongelukkige Vander Taelen zelf overkwam – letterlijk in het gezicht. Vander Taelen concludeert dat het hoog tijd wordt dat we ‘onze normen en waarden’ aan het migrantenvolkje‘opdringen’.

Eén ding heeft Vander Taelen met zijn tirade in ieder geval bereikt: hij krijgt luid applaus op de website van het Vlaams Belang. Zijn tekst wordt er verwelkomd als de ‘bekentenis van een multiculturalist’. Een naiëve linkse sukkel dus die eindelijk tot betere inzichten komt. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat deze bruinomrande bijval zo direct een betrachting van Vander Taelen is. Ik mag nog altijd hopen dat die hem eerder dwars zal zitten. Hoewel, je weet het natuurlijk nooit. Ook schrijver Benno Barnard ligt er tegenwoordig niet echt meer van wakker dat zijn anti-islam teksten rijkelijk door het Vlaams Belang bejubeld en geciteerd worden. Meer zelfs, toen alle boekhandels weigerden om het laatste boek van Philip Dewinter – uiteraard een zoveelste schotschrift tegen de islam – in de rekken te zetten, was het Barnard die de verdediging van Dewinter op zich nam door in een opinietekst te stellen dat de inhoud van het boek correct is. Het mag dan ook niet verbazen dat Barnard op 13 oktober eveneens in de Standaard een opiniestuk publiceerde om Vander Taelen meer dan volmondig bij te springen.

De tekst van Vandertaelen – en meer bepaald zijn conclusie over de noodzaak om onze normen en waarden op te dringen – is tekenend voor het uitzichtloze dwaalspoor waarop het huidige integratiedenken vastzit. Het vandaag overheersende integratiediscours is ziek, omdat het die zo fel betrachte integratie zelf meer en meer tot een onmogelijkheid maakt. Het huidige integratiediscours is bij uitstek een scheidend discours. Het versterkt in alle opzichten de categorieke tegenstelling tussen ‘Wij’ en ‘Zij’. Het grote schrikbeeld van de onvermijdelijke ‘Clash of Civilizations’ wordt hierdoor een selffulfilling prophecy.

Over dat scheidend karakter van het integratiediscours schreef de Nederlandse socioloog Willem Schinkel het voortreffelijke boek ‘De Gedroomde Samenleving’ (uitgeverij Klement, 2008). Schinkel betoogt dat het huidige integratiediscours, dat zich tot doel stelt de scheiding tussen de ‘leden van de samenleving’ en de ‘niet geïntegreerden’ op te heffen, in werkelijkheid alleen bijdraagt tot de steeds definitiever wordende uitsluiting van die laatste groep. Hij beschrijft een aantal spreekmechanismen binnen het integratiediscours die maken dat het hele discours niets anders is dan het definiëren van ‘onze samenleving’ als ideaal (de gedroomde samenleving) tegenover een duister en bedreigend gebied waar de niet geïntegreerden ronddolen. Een aantal van die mechanismen laat zich ook herkennen in de tekst van Luckas Vander Taelen.

Ten eerste wordt in het integratiediscours een duidelijk onderscheid gemaakt tussen een ‘binnen de samenleving’ en een ‘buiten de samenleving’. Het is een veel gehoorde stelling : ‘De allochtoon plaatst zichzelf door zijn gebrekkige integratie buiten de samenleving.’ Volgens deze stelling maakt alles wat op het terrein van de integratie problematisch is, geen deel uit van de samenleving. Dat impliceert dat het ‘binnen de samenleving’ – wat dan de eigenlijke samenleving vormt – gedacht wordt als een gebied waar zich geen integratieproblemen voordoen, waar alles en iedereen geïntegreerd is. Integratieproblemen zijn in deze optiek aan onze samenleving dus eigenlijk vreemd. Deze tweedeling plaatst de hele integratieproblematiek namelijk in een buitengebied. Integratie is dan geen opdracht meer voor de hele samenleving. Nee, het is iets wat in dat buitengebied opgelost moet worden.  De ‘niet geïntegreerde’ wordt hierin als een stoute kleuter die door de juf aan de deur wordt gezet. Pas wanneer hij bereid is om braaf te zijn, mag hij de klas terug binnen.

Dat idee van een ‘buiten de samenleving’ krijgt een concrete vertaling door bepaalde wijken in de stad tot no-go zones te verklaren. Dat is ook wat Vander Taelen doet. Hij benoemt de probleemwijk waar hij dagelijks doorheen fietst als een getto, een benaming die vanzelf associeert met wettenloosheid, gewelddadigheid, gevaar, verval, vernieling, vuiligheid, uitzichtloosheid, enz. Het is de uitgesproken vergaarbak voor alles wat niet in de samenleving thuis hoort, alles wat met andere woorden niet geïntegreerd is. Wie tot de echte samenleving behoort, kan er maar beter wegblijven.

Ten tweede staan in het huidige integratiediscours ‘normen en waarden’  en ‘cultuur’ centraal. Dat is niet altijd zo geweest. Ooit werd bijvoorbeeld nog gesproken over een ‘gelijke kansenbeleid’, in een tijd waarin het creëren van gelijke kansen nog geaccepteerd werd als basisvoorwaarde om tot een geslaagde integratie te kunnen komen. Die tijd is al lang voorbij. Vandaag zijn ‘normen en waarden’en ‘cultuur’ – meerbepaald ‘onze normen en waarden’ en ‘onze cultuur’ – de uitgangspunten en doelstellingen. Volgens Schinkel is het integratiediscours onderhevig aan  wat hij een ‘culturistische’visie noemt. Daarin wordt elk integratieprobleem herleid tot een cultuurprobleem. Geheel volgens de logica van het ‘binnen de samenleving’ en het ‘buiten de samenleving’ komen in deze visie verschillende culturen in een problematische verhouding tegenover elkaar te staan. Daarbij wordt‘onze cultuur’ als ideaal en probleemloos gedacht, de cultuur van de niet-geïntegreerden ( die in het‘buiten de samenleving’ heerst ) is dan vanzelfsprekend inferieur en bedreigend.

‘Wij’ zijn modern, Verlicht en seculier, en daaruit vloeien als vanzelf onze verheven normen en waarden voort. Vraagtekens worden daarbij niet meer geplaatst. Geen ruimte meer voor het problematische van onze moderniteit (denken we onder meer aan de niet te overziene ellende die wereldwijd gecreëerd wordt in de strijd om de grondstoffen voor die moderniteit, aan de impact op het milieu van die moderniteit of aan de sociale gevolgen van een moderne economie in crisis). Ook geen ruimte meer voor een nuancering van het Verlichtingsideaal (denken we aan de twee wereldoorlogen, de Holocaust, de uitzichtloze en desastreuze ongelijkheid in de wereld, Joegoslavië, Irak, Afghanistan,…, allemaal producten van onze Verlichte samenleving). En ook geen ruimte voor het relatieve van onze secularisatie (moge de hysterie rond de heiligverklaring van Pater Damiaan daar een afdoend voorbeeld van zijn). De verdiensten van onze westerse wereld moeten niet in twijfel getrokken worden, maar een en ander zou ons toch mogen aanzetten tot een zekere bescheidenheid over onze moderne, Verlichte en seculiere samenleving.

Ook Vander Taelen gaat mee op het spoor van de ‘Clash of Civilizations’. Hij beschouwt het als een verdienste van links om ‘meer aandacht te vragen voor discriminatie en sociale achterstand’, maar die sociale factoren zijn ook voor hem niet meer van primair belang. ‘Het probleem ligt jammer genoeg dieper’, vervolgt hij, ‘we zijn bang geweest om onze waarden op te dringen aan allochtonen.’Het zit hem eerst en vooral in de cultuur dus. En ook Vander Taelen acht de waarden van onze verheven cultuur ernstig bedreigd: ‘Die waarden zijn mij echter te dierbaar om ze verloren te laten gaan.’

En dan is er nog de vraag naar de verantwoordelijkheid.  In het culturistische integratiediscours wordt integratie tot een individuele verantwoordelijkheid van de allochtoon gemaakt. ‘Maar nu is er in Brussel een generatie van rebels without a cause opgegroeid die zich altijd verongelijkt en tekort gedaan voelt. Nooit voor iets verantwoordelijk, het is altijd de fout van iemand anders: van de overheid, van de racistische Belgen’, schrijft Vander Taelen. Het moet dus maar eens gedaan zijn met dat gezeur over sociale uitsluiting en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Wie niet geïntegreerd is, staat immers buiten de samenleving, en dat is zijn of haar eigen cultuurprobleem. Het is dan ook zijn of haar persoonlijke verantwoordelijkheid om dat probleem op te lossen.

Sociaal-economische factoren spelen in het hele debat geen rol meer of zijn verwaarloosbare bijkomstigheden geworden. Als een allochtoon ons voor racist en onze dochters voor hoer uitmaakt, dan heeft hij een cultuurprobleem. Hoe vaak hij uitgemaakt wordt voor makkak, geitenneuker, vuile zwarte, fundamentalist of terrorist, dat is van geen tel. Als een allochtoon ons op straat in het gezicht spuwt, dan betreft het een ‘islamitische fluim’ (dixit Benno Barnard) die het teken is van de onwil om te integreren. Hoeveel deuren die allochtoon in het gezicht heeft gekregen, hoe vaak hij op de huizenmarkt of arbeidsmarkt is afgewezen omwille van wie hij is, doet niet ter zake. Sociale uitsluiting, discriminatie en racisme zijn ouwe koek, versleten argumenten van de politieke correctheid. Dat 10 % van de Belgen zich openlijk racist noemt en een aanzienlijk ander percentage racisme in een aantal gevallen best wel gepermiteerd vindt, dat een hele generatie twintigers als gevolg van de financieel-economische crisis verloren dreigt te gaan in de werkloosheid (waaronder een groot aantal laaggeschoolde allochtonen), dat de werkloosheid onder hoogopgeleide (geïntegreerde!) allochtonen met zo’n 150% gestegen is, dat 30% van de jongeren in dit land (autochtoon en allochtoon) omwille van een totaal gebrek aan perspectieven in probleemgedrag dreigt te vervallen…dat alles is alleen maar vervelende, politiek correcte retoriek en kan geenszins aangedragen worden om het irritante gedrag van allochtone jongeren in probleemwijken te verklaren. Nee, het is hun cultuur en anders niets.

Vervolgens is het antwoord op dat cultuurprobleem heel eenvoudig. ‘Ik roep: Marokkaan, gedraag je! Leer een vak! Word een nuttig lid van de samenleving!’, schrijft Benno Barnard in zijn steunbetuiging aan Vander Taelen. De totale negatie dus van elke sociaal-economische realiteit. De verantwoordelijkheid voor elk integratieprobleem ligt volledig bij de allochtoon. En hoe moet hij dat probleem dan oplossen? In het culturistisch discours kan daar maar één antwoord op zijn: het verzaken aan de ‘moslimcultuur’. Alleen de moslim die ophoudt moslim te zijn, kan tot onze samenleving behoren. Wie moslim blijft, zal nooit geïntegreerd kunnen zijn.

Luckas Vander Taelen pleit voor ‘zero tolerance’. Geen begrip meer voor het balorige gedrag van allochtone hangjongeren. In de context van een culturistisch integratiediscours wordt dat een pervers schijngevecht. In werkelijkheid gaat het dan om een ‘zero tolerance’ voor de islam.

Zeer aan te raden boeken:

‘De Gedroomde Samenleving’, Willem Schinkel (Klement 2008)
‘De Beschavingsmachine – wij en de islam’, Ico Maly (EPO 2009)
‘Het islamdebat’, Sami Zemni (EPO 2009)

Advertenties