‘De liberale staat mag de voorgeschreven institutionele scheiding van godsdienst en politiek niet veranderen in een ondraaglijke mentale en psychologische last voor zijn godsdienstige burgers.’ – Jürgen Habermas

Met het recent gepubliceerde document ‘De islam en de hoofddoek in België, een bredere benadering’, pleit Etienne Vermeersch voor een algemeen verbod op het dragen van een hoofddoek in het secundair onderwijs. Deze tweeëndertig pagina’s lange tekst, naar eigen zeggen geïnspireerd door ‘een jarenlange lectuur over de islam en over de godsdiensten in het algemeen’, heeft als doel het probleem van de hoofddoek en het voorgestelde verbod in een breder perspectief te plaatsen en alle voor en tegens ‘tot op het bot te analyseren’.

Vermeersch beoogt met deze tussenkomst geen algemene verwerping van de islam. Hij blijft de hoop koesteren dat ‘een vreedzame islam, die de mensenrechten in hun totaliteit respecteert, mogelijk is, zeker in Europa’. Verder meent hij ook dat christenen, moslims en ongelovigen op een vreedzame manier moeten kunnen samenleven. Voorwaarde daarvoor is wel dat de invloed van de fundamentalistische islam moet worden teruggedrongen. Dat zal niemand tegenspreken. Fundamentalisme hypothekeert elke redelijke verstandhouding. Dat geldt overigens voor élk fundamentalisme.

Het document presenteert zich dus als een verhelderende analyse van de problemen die de islamitische hoofddoek zou stellen en als een redelijk pleidooi voor een verbod op het dragen ervan in het secundair onderwijs. Maar niet alleen zijn de aangevoerde argumenten om zo’n verbod te rechtvaardigen op zijn minst erg discutabel, bovendien plaatst Vermeersch zijn argumentatie in een algemeen kader dat niet ontsnapt aan de enge en veralgemenende logica van het al te gangbare anti-islam discours.

Laat ik beginnen bij dat algemeen kader. Vermeersch opent zijn betoog met de stelling dat het principe van godsdienstvrijheid, en daaraan gekoppeld de vrijheid van godsdienstbeleving, niet zomaar kan gelden voor de islam. Omdat de praktische toepassing van islamitische normen, waarden en voorschriften in strijd kan zijn met onze mensenrechten, onze wetgeving en de bij ons algemeen aanvaarde gedragsregels.

Voor wat betreft schendingen van mensenrechten en inbreuken op de wet, wordt hier een probleem gesteld dat, zeker in een Belgische context, eigenlijk niet bestaat. Elke burger die in ons land woont, is namelijk per definitie onderworpen aan de Belgische wetgeving. Een diepgelovige moslim kan dan misschien wel denken en zeggen dat hij de sharia, de goddelijke wet, hoger acht dan gelijk welke door de mens geformuleerde wet, dat ontslaat hem op geen enkel moment en op geen enkele manier van zijn plicht zich te houden aan de Belgische wetgeving. Wanneer hij dat niet doet, wacht hem een boete of gerechtelijke vervolging. Suggereren dat godsdienstvrijheid voor moslims in ons land zal leiden tot schendingen van de mensenrechten en ernstige wetsovertredingen, komt in die zin eigenlijk neer op nodeloos paniek zaaien.

Dat blijkt ook uit de opsomming die Vermeersch maakt van islamitische normen die in strijd zijn met onze wetgeving: veelwijverij, het houden van slavinnen, het recht om te huwen met minderjarige meisjes, het alleenrecht van de man om zijn vrouw te verstoten, het getuigenis van de man dat twee keer dat van een vrouw waard is, de erfenis van een man die het dubbele bedraagt dan die van een vrouw, het recht van een man om zijn ongehoorzame vrouw te slaan, de doodstraf voor geloofsafval, het bestraffen van overspel met steniging. Het zijn stuk voor stuk gebruiken die zich in verschillende islamitische landen voordoen – en die geen enkele goedkeuring verdienen – maar die in ons land, precies omwille van onze seculiere wetgeving, nooit een legitieme plek kunnen krijgen. Vermeersch gaat hier dan ook mee in een beeldvorming waarin de islam eenduidig geassocieerd wordt met schrikwekkende praktijken als geseling, ledematen afhakken, steniging en onthoofding. Er wordt daarbij geheel onterecht gesuggereerd dat godsdienstvrijheid voor moslims dit soort praktijken ook bij ons gangbaar zal maken. Als deze suggestie al niet getuigt van kwaadwilligheid, dan wel van heel weinig vertrouwen in de kracht en de verworvenheden van het secularisme. Sami Zemni schrijft daarover in zijn boek ‘Het islamdebat’: ‘Welke ideeën iemand aanhangt, welke religieuze idealen iemand nastreeft, de staat bepaalt zowel de plaats en de rol van de politiek als die van de religie, en niet andersom! Het secularisme van de staatsinstituties in West-Europa is – ongeacht zijn sterk uiteenlopende institutionele uitingsvormen – diep ingeburgerd. Net daarom is er geen enkele reden om aan te nemen dat dit enig gevaar zou lopen vanwege enkele moslims.’ (‘Het islamdebat’, Sami Zemni, EPO 2009, blz. 119)

En dan zijn er de gedragingen die indruisen tegen de bij ons algemeen aanvaarde gedragsregels. Hier gaat het om gebruiken, gedragingen en houdingen die niet tegen de wet ingaan, maar die voor veel burgers op een of andere manier aanstootgevend zijn. In de opsomming die Vermeersch hier geeft, vinden we onder meer de gehoorzaamheidsplicht van de vrouw tegenover haar man, het gezag van broers over zusters, de weigering van mannen om hun vrouw te laten behandelen door een mannelijke arts, het weigeren van gemengd zwemmen, de houding tegenover homoseksualiteit, … . Ook het dragen van een hoofddoek valt binnen deze categorie.

Het zou vanzelfsprekend moeten zijn dat voor al deze kwesties naar een vergelijk wordt gezocht door middel van een constructieve dialoog. Helaas is op dit moment voor alles wat de islam betreft geen enkele dialoog mogelijk. Elke vraag die vanuit de moslimgemeenschap wordt gesteld, wordt meteen afgedaan als een aanslag op de westerse beschaving. De moslim wordt nooit gezien als een gesprekspartner, maar altijd als een verdacht sujet dat per definitie iets kwaadaardig in het schild voert. Hij kan pas geaccepteerd worden wanneer hij zich onvoorwaardelijk onderwerpt aan de integratie-eisen die hem worden voorgelegd. Ook Vermeersch toont zich niet bepaald bereid tot een dialoog. Het hoofddoekenverbod is voor hem een uitgemaakte zaak. Het is alleen nog aan de volksvertegenwoordigers om het kader te creëren waarbinnen dat verbod mogelijk wordt. Wanneer ze dat niet doen, is dat vaandelvlucht. Alle argumenten van de moslimgemeenschap wijst hij per definitie van de hand. Over de hoofden van de moslims heen dicteert Vermeersch wat goed voor hen is.

In een tweede deel van het document schetst Vermeersch een aantal historische en cultureel-antropologische gegevens omtrent de hoofddoek. Daaruit concludeert hij dat de hoofddoek die vandaag de dag door moslima’s in onze samenleving wordt gedragen, niet anders geïnterpreteerd kan worden dan als het symbool van een fundamentalistische interpretatie van de koran en de soenna. Een andere invulling is uitgesloten. Elke moslima die een hoofddoek draagt en daarbij beweert dat ze geen enkele affiniteit heeft met het fundamentalisme, krijgt te horen dat ze dwaalt en van kindsbeen af geïndoctrineerd is. Ze moet bevrijd worden. En Vermeersch gaat nog verder. De moslima die een hoofddoek draagt, zal vermoedelijk ook alle verwerpelijke praktijken die aan de islam gerelateerd worden, aanvaarden en goedkeuren. Ook hier vervalt Vermeersch in het veralgemenend schrikbeeld waarin de hoofddoek gelijk is aan fundamentalisme en dus gelijk aan schendingen van de mensenrechten en inbreuken op de wet.

In het derde deel van zijn tekst staat Vermeersch stil bij het belang van het secularisatieproces. Dat proces wordt volgens hem door het dragen van een hoofddoek in een omgekeerde richting geduwd. Opnieuw waarschuwt hij voor de hoofddoek als deuropener voor de intrede van eerder genoemde wanpraktijken. Daarbovenop wil hij ook onze ogen openen voor het wereldwijde karakter van het fundamentalisme dat achter de hoofddoek schuil zou gaan. Hij spreekt van een gerichte beweging die zich keert tegen de aanpassing van de moslims aan de westerse cultuur. En zo onderschrijft Vermeersch ook het schrikbeeld van een internationaal moslimcomplot dat erop uit is de westerse wereld te onderwerpen of te vernietigen.

Vermeersch toont zich hier een fundamenteel verdediger van de secularisering. Die houding strookt niet met de maatschappelijke realiteit van vandaag. De Duitse filosoof Jürgen Habermas, generatiegenoot van Vermeersch en gekend als vurig verdediger van de seculiere staat, neemt in deze een veel zinniger houding aan. Hij stelt dat we vandaag in een postseculiere tijd leven, een maatschappelijke realiteit waarin het concept van de seculiere staat herdacht moet worden. Dat betekent geenszins dat het seculiere karakter van de staat losgelaten moet worden, maar wel dat we moeten erkennen dat het seculariseringsproces tot nog toe teveel een eenzijdig verhaal is geweest, waarin gelovigen (van welke godsdienst ook) in een ondergeschikte positie gedrongen werden. De secularisering heeft in die zin een repressief karakter. Habermas wil niet tornen aan de seculiere staatsvorm, maar pleit wel voor een herwaardering van religie in het maatschappelijk debat. Dat betekent dat gelovigen niet langer alleen getolereerd worden, maar ook gerespecteerde gesprekspartners worden.

Pas in een vierde deel komt Vermeersch bij zijn eigenlijke argumenten voor een hoofddoekenverbod in het secundair onderwijs. Argumenten die nu niet anders meer gelezen kunnen worden dan in het vooraf getekende kader. Daarin is de hoofddoek zonder uitzondering symbool van het fundamentalisme, wegbereider voor allerlei gruwelpraktijken en  exponent van een wereldwijde bedreiging voor de seculiere westerse democratie.

Het eerste argument stelt dat in een klas in het secundair onderwijs elke opinie in gelijke mate aan bod moet komen. Daarom mag geen enkele opinie ‘op een bijzondere wijze in de kijker lopen’. Dat alle levensbeschouwelijke opinies op een gelijkwaardige manier aan bod komen, lijkt mij in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de school en het onderwijzend personeel, niet van de studenten. Directie en leerkrachten staan ervoor in dat studenten met uiteenlopende opinies kennis kunnen maken. Die opdracht wordt hoegenaamd niet verhinderd door de aanwezigheid van hoofddoeken. Het is ook nogal vreemd te denken dat wanneer moslima’s binnen de school hun hoofddoek afleggen, hun levensbeschouwelijke opinie niet meer of minder aanwezig zou zijn. Evenmin kan verondersteld worden dat de aanwezigheid van die opinie door de andere studenten bij afwezigheid van de hoofddoek minder opgemerkt zou worden. Of moeten we aannemen dat moslima zijn zich enkel en alleen uitdrukt in het dragen van een hoofddoek? Ook het gevaar voor kliekjesvorming, waar Vermeersch in het kader van zijn eerste argument op wijst, is weinig steekhoudend. Als moslima’s op basis van hun levensbeschouwelijke opinie een kliekje willen vormen, zullen ze dat zonder hoofddoek ook wel doen. Of moeten we er vanuit gaan dat ze mekaar zonder hoofddoek niet meer zouden herkennen?

Het tweede argument betreft het probleem van intimidatie en beïnvloeding. Vermeersch verwijst hier naar het reële probleem van moslimmeisjes die door intimidatie gedwongen worden om een hoofddoek te dragen. Op basis daarvan hebben twee Antwerpse scholen een hoofddoekenverbod ingesteld. Dat probleem moet niet onderschat of geminimaliseerd worden. Maar een verbod op de hoofddoek binnen de school biedt hiervoor hoegenaamd geen oplossing. Het probleem wordt zo alleen buiten de schoolpoort geduwd. En als we de school willen zien als een instelling waar jongeren gevormd worden tot actieve burgers in onze samenleving, dan lijkt het mij niet wenselijk dat de reële samenlevingsproblemen buiten gehouden worden. Een hoofddoekenverbod op basis van dit probleem zet ook de dingen op zijn kop. Het spreekt toch voor zich dat hier het probleem van intimidatie aangepakt moet worden en niet de hoofddoek. Anders belanden we in de absurde situatie waarin het slachtoffer gesanctioneerd wordt. In dit verband wordt vaak geopperd dat intimidatie een te veelzijdig en moeilijk traceerbaar probleem is en dus nooit adequaat kan worden aangepakt. Dat lijkt mij iets te makkelijk. Het probleem van intimidatie aanpakken, is zeker de moeilijkste optie, die de grootste inspanning vraagt. De hoofddoek verbieden is veel eenvoudiger, maar als antwoord op intimidatie zeker niet rechtvaardig.

Het derde argument zegt dat moslima’s die in het secundair onderwijs een hoofddoek dragen mogelijk bekoord zullen worden om een fundamentalistische levensweg te kiezen. Dat is een stelling die aan de hoofddoek een absurde kracht toekent. Als een moslima kiest voor een door fundamentalisme ingegeven levensweg, heeft dat alles te maken met wat er in haar hoofd zit en hoegenaamd niets met wat ze op het hoofd draagt. Vermeersch lijkt hier te suggereren dat het afleggen van de hoofddoek binnen de school meteen ook elke mogelijk aanwezige fundamentalistische gedachte neutraliseert. De hoofddoek als toverdoek.

In een vierde en laatste argument zegt Vermeersch dat zonder een hoofddoekenverbod de onderlinge rust en tolerantie in het gedrang kunnen komen. Omdat het toelaten van de hoofddoek impliceert dat alle andere uiterlijke manifestaties van een levensbeschouwing ook geaccepteerd moeten worden. Als voorbeeld haalt Vermeersch de slogan ‘Eigen volk eerst’ aan. Het voorbeeld is natuurlijk nogal flauw gekozen, maar ik geloof dat naast de hoofddoek inderdaad alle andere uitingen geaccepteerd moeten worden. Dat zal ongetwijfeld aanleiding geven tot discussie en conflict, maar ik denk dat het tot de taak van een school behoort om jonge mensen te leren om met dat soort tegenstellingen om te gaan in plaatst van ze met allerlei verboden te omzeilen. Onderlinge rust en tolerantie worden niet bewerkstelligd door alles wat aanleiding kan geven tot conflict te verbieden. Op die manier wordt alleen een schijnbare rust en tolerantie gecreëerd. Ondertussen worden de messen geslepen voor de afrekening aan de schoolpoort. Onderlinge rust en tolerantie kan alleen bereikt worden door tegenstellingen toe te laten en er op een constructieve manier mee om te gaan.

De argumenten van Vermeersch zijn niet overtuigend. Wellicht moet daarom het leeuwendeel van het document besteed worden aan het uittekenen van een algemeen kader waarbinnen ze als redelijk en vanzelfsprekend gepresenteerd kunnen worden. Dat algemeen kader behelst niet veel meer dan de waarschuwing voor een fundamentalistische expansie. Het teert in hoofdzaak op de onredelijke angst voor een desastreuze radicalisering. De wens dat moslims vreedzaam zouden samenleven met christenen en niet-gelovigen – een wens die door Vermeersch naar ik zonder twijfel aanneem oprecht wordt geformuleerd – wordt door dit betoog niet bepaald gediend. Het past eerder in een manier van spreken en schrijven over de islam die door Sami Zemni treffend wordt omschreven: “Het nieuwe racisme spreekt vooral een redelijke taal. Het baseert zich op een gesimuleerde rede die op een geaccepteerde manier spreekt over culturele onverenigbaarheden, en waarin vage containerbegrippen tegenover elkaar worden gesteld: ‘de tolerante, open, seculiere en democratische autochtone samenleving’ tegenover ‘het geweld, de haat, de baard, de djellaba, de hoofddoek, de getto’s en de criminaliteit van de migranten, illegalen en de moslims’”. (‘Het islamdebat’, Sami Zemni, EPO 2009, blz.130)

Ik kan de lectuur van het boek van Sami Zemni niet genoeg aanbevelen. Het is een boek dat glashelder analyseert wat de werkelijke inzet van het islamdebat is. Wie het leest, begrijpt dat de islam in ons land wel degelijk een uitdaging vormt, maar geenszins een apocalyptische toekomst voorspelt. Het boek maakt ook overduidelijk dat discussies over het wel of niet toelaten van de hoofddoek volstrekt naast de kwestie zijn.

‘Spreek met zo’n vrouw en beoordeel haar niet op wat ze op haar hoofd draagt, maar op wat er in haar hoofd zit.’ (‘Islam voor ongelovigen’, Lucas Catherine, EPO 2001, blz. 214)

Advertenties