Het weekblad Time haalde onlangs uitgebreid de pers met een confronterende foto van het achttienjarige Afghaanse meisje Aisha. Nadat ze bij haar man was weggelopen, heeft een meedogenloze Taliban-leider haar de oren en de neus afgesneden. Time laat geen twijfel bestaan over het waarom van deze cover. Naast de foto prijkt de titel: ‘Wat er gebeurt als we Afghanistan verlaten.’ Aisha moet het symbool zijn voor alle Afghaanse vrouwen, die bij een eventuele terugtrekking van de VS-troepen en hun bondgenoten – God verhoede het! – de gruwel en de terreur van de fundamentalistische Taliban zullen ondergaan.

Time promoot zo op een heel directe manier een humanitair argument voor het onverminderd voortzetten van de bezetting en de oorlog in Afghanistan. Het is een argument dat door de publieke opinie makkelijk wordt bijgetreden en ook door een aantal opiniemakers uitdrukkelijk wordt verdedigd. Zo vindt ook Luckas Vander Taelen (Groen!) dat alle mogelijke bedenkingen bij de VS-interventie in Afghanistan ondergeschikt moeten zijn aan de bekommernis om de Afghaanse vrouwen te behoeden voor de tirannie van de Taliban. In De Standaard van 11 augustus betoogt hij dat wie het statement van Time interpreteert als oorlogspropaganda, lijdt aan de obsessie om alles te benaderen vanuit het ‘Grote Kader’ van geopolitieke en economische belangen. Dat zou verblindend en verlammend werken en leiden tot schuldige non-interventie. Als het over fundamentele mensenrechten gaat, moet dat ‘Grote Kader’ volgens Vander Taelen maar even wijken. Alles is namelijk te prefereren boven de Taliban, zelfs de meest hopeloze en destructieve oorlog. Maar hoe geloofwaardig is dat humanitaire argument nog na bijna negen jaar oorlog? En hoe geloofwaardig is het überhaupt ooit geweest?

Om op die vraag een antwoord te vinden, is het goed om even in herinnering te brengen hoe de VS en die verderfelijke Taliban zich in het verleden verhouden hebben. We gaan daarvoor terug naar 1989, het jaar waarin de Sovjet-troepen zich, na tien jaar oorlog, uit Afghanistan terugtrekken. Onmiddellijk na deze weinig glorieuze aftocht komt het land in een catastrofale burgeroorlog terecht. De verschillende Mujahedin-clans, die gesteund door de VS samen tegen het Sovjet-leger hebben gevochten, gaan nu elkaar bestrijden. In hun onderlinge strijd om de macht vernietigen ze steden en dorpen, terroriseren de bevolking en maken zich schuldig aan tal van oorlogsmisdaden. De extremistische Taliban, die rijkelijk gefinancierd worden door de Pakistaanse veiligheidsdiensten en de CIA, krijgen in 1995 zowat het hele land onder hun controle. Ze installeren hun religieus geïnspireerd schrikbewind. Wat dat voor de Afghaanse vrouwen zoal betekent, is alom bekend: vrouwen worden verplicht de boerka te dragen, worden gegeseld, mogen niet deelnemen aan het publieke leven, hebben geen recht op medische zorgen, worden uitgesloten van elke vorm van onderwijs, krijgen geen plaats op de arbeidsmarkt. Vrouwen die zich schuldig maken aan ‘immoreel’ gedrag, worden gestenigd of levend begraven. Maar enige bekommernis om het lot van de Afghaanse vrouwen is op dat moment in de VS niet te bemerken. Alle Taliban-vertegenwoordigers in de Afghaanse regering komen daarentegen op de loonlijst van Washington te staan, wat zo zal blijven tot 1999. Pas in 2001, na de terroristische aanslagen in de VS, ontdekt Washington plots welk miserabel lot de vrouwen in Afghanistan is toebedeeld. Het wordt prompt ook een van de meest gepropageerde motieven om het land binnen te vallen. Niet bepaald geloofwaardig.

Oorlogen worden altijd verkocht met humanitaire argumenten, maar hebben ook altijd een heel andere en veel minder nobele inzet. Dat is niet anders voor de oorlog in Afghanistan. In de jaren negentig beoogt het beleid in Washington een aanzienlijke militaire aanwezigheid in Centraal-Azië. De instorting van de Sovjet-Unie opent aanlokkelijke perspectieven op de exploitatie van enorme olie en gasreserves in Kazachstan en Turkmenistan. Vijfenzeventig procent van deze reserves komt in handen van bedrijven in de VS. Eén van die bedrijven, Unocal, ontwikkelt plannen voor de bouw van een pijpleiding via Afghanistan en Pakistan naar de Indische Oceaan. Om die plannen te kunnen realiseren, heeft Washington een ‘bevriend’ Afghaans regime nodig dat voor de nodige interne ‘stabiliteit’ zorgt. De fundamentalistische Taliban, die de bevolking en rivaliserende Mujahedin-clans met bruut geweld en terreur onder de knoet houden, kunnen wat dat betreft de beste garanties bieden. Zolang met de Taliban op een bevredigende manier onderhandeld kan worden over economische aangelegenheden, weigert Washington dan ook om Afghanistan op te nemen in de lijst van landen die het terrorisme steunen, ook al is geweten dat Osama Bin Laden een gast is van het Taliban-regime. De situatie van vrouwen in Afghanistan is daarbij ook van geen enkel belang.

Als de VS en hun bondgenoten er vandaag bijna negen jaar oorlog hebben opzitten in Afghanistan, dan heeft dat alles te maken met militaire aanwezigheid in een regio die enorme economische perspectieven biedt. De VS hebben recent nog bevestigd dat zich ook in Afghanistan zelf aanzienlijke olie en gasvoorraden zouden bevinden. Het zou gaan om veertig miljoen ton olie en dertien miljard kubieke meter aardgas. De controle over al die rijkdommen, dat is de inzet van deze oorlog. Onderdrukking en mishandeling van vrouwen is het nodige argument om dat te verdoezelen.

Het voorgaande behoort uiteraard tot dat ‘Grote Kader’ dat volgens Luckas Vander Taelen verblindt en verlamt en leidt tot ‘schuldig verzuim’. Een toch wel erg bizarre redenering, die volgens mij wijst op een heel ander soort verblinding, bekend onder de naam ‘Wishful Thinking’. Het naïeve geloof dat de oorlog, ondanks dat ‘Grote Kader’, op het humanitaire vlak ook nog wel wat mooi meegenomen neveneffecten kan hebben. Niets is minder waar. De humanitaire retoriek van Washington heeft de Afghaanse vrouwen bij het begin van de oorlog ontzettend veel hoop gegeven. Na negen jaar is elke hoop met de grond gelijk gemaakt. Het fundamentalisme dat bestreden en uitgeroeid zou worden, is alleen maar verhevigd. De Taliban worden met de dag sterker. Van die hele oorlog is in Afghanistan nog geen mens beter geworden, en zeker geen vrouw. En dat is alles behalve verwonderlijk. Het zal Washington namelijk een zorg zijn hoe vrouwen in Afghanistan behandeld worden. Dat zou Luckas Vander Taelen ook weten, als hij het ‘Grote Kader’ niet aan de kant zou schuiven voor de ijdele hoop dat militaire agressie verdrukte vrouwen kan redden.

Moet Aisha, en met haar alle vrouwen in Afghanistan, dan aan haar lot overgelaten worden? Uiteraard niet. Maar zolang de oorlog verdergaat, kan aan de minste vooruitgang niet eens gedacht worden. Als Time werkelijk bekommerd zou zijn om het lot van de Afghaanse vrouwen, dan zou het veel correcter zijn om foto’s te publiceren van de talloze burgerslachtoffers die onder de agressie van de VS en hun bondgenoten vallen. ‘Wat er gebeurt als we in Afghanistan blijven’ zou dan ook een eerlijker bijschrift zijn. Maar ongetwijfeld zal het hoe en waarom van deze oorlog, zoals altijd, lang na de feiten geopenbaard worden. In Time zal het wellicht niet te lezen staan.

Om af te ronden nog een citaat van de Amerikaanse president Woodrow Wilson, uit een verklaring kort na het einde van de Eerste Wereldoorlog: ‘Bestaat er één man of vrouw – wat zeg ik? – bestaat er één kind dat niet zou weten dat de kiem van de oorlog in de moderne wereld de industriële en commerciële wedijver is? Deze oorlog was een industriële en commerciële oorlog.’ Laten we vooral het Grote Kader niet uit het oog verliezen.

Aanbevolen lectuur:

‘Elementaire principes van oorlogspropaganda.’ – Anne Morelli, EPO 2003.

‘De Grote Beschavingsoorlog – de verovering van het Midden-Oosten.’ – Robert Fisk, Anthos/Standaard Uitgeverij 2005.

Advertenties