Beste Siegfried Bracke,

Ik had het genoegen onderwerp te mogen zijn van uw dagboekpraatje van 13 januari in het radioprogramma ‘Nieuwe Feiten’. Wie dat wil, kan de tekst van dat praatje altijd nalezen op uw persoonlijke website (www.siegfriedbracke.be).

Er is een dubbele aanleiding voor het feit dat u het over mij wilde hebben. Enerzijds ben ik een van de initiatiefnemers van het culturele evenement ‘Niet in onze naam’ , dat op 21 januari doorgaat in de Brusselse KVS (www.nietinonzenaam.be). Zoals u terecht aangeeft, brengt dit initiatief mensen uit de culturele sector samen in het verzet tegen het Vlaams-nationalisme. Anderzijds heb ik een antwoord geschreven op een column van uw partijvoorzitter, waarin hij naar mijn mening weinig gefundeerd tekeer gaat tegen Cuba. Ook hier even verwijzen: wie de tekst van meneer De Wever wil lezen, kan dat doen op de website van uw partij, mijn antwoord is te vinden op mijn persoonlijke blog (dirktuypens.wordpress.com).

U gooit deze twee dingen natuurlijk graag bij mekaar, ongetwijfeld met de bedoeling zowel mezelf als het evenement ‘Niet in onze naam’ in diskrediet te brengen. Het is een beproefd handigheidje waaraan u zich graag bezondigt. Het stelt u in staat om mensen en dingen snel en eenvoudig in het gewenste verdomhoekje te plaatsen.

Zo schrijft u mij de geestelijke lenigheid toe om me vast te klampen aan een idee-fixe. Meer bepaald doelt u op de beginselen van ‘het extreem-linkse en door Mao geïnspireerde Amada’. Het is een klassieker:  heb je iemand van de PVDA tegenover je, roep dan snel iets over Stalin of Mao of over de dictatuur van Castro en dan hoeft er verder niets meer gezegd te worden. Deze tactische spielerei mag dan bij een groot deel van het publiek nog altijd werken, eerlijk kan je het bezwaarlijk noemen. Sta mij dus toe hierover een paar dingen te zeggen.

Toen Amada het licht zag, was ik ternauwernood uit mijn laatste luier gestapt. Met de beginselen van Amada heb ik dus niet zoveel te maken. De uit Amada voortgesproten PVDA ken ik natuurlijk wel, al is het ook niet van bij de beginselen, ook daarvoor ben ik nog niet oud genoeg. Ik heb die PVDA, net als u, gekend als een dogmatische partij, die stug zwoer bij onwrikbare theorieën en de daar bijhorende iconen. Dat was de PVDA  waar om zo te zeggen geen enkele tekst geschreven kon worden of er moesten minstens een paar citaten van Marx of Lenin in verwerkt worden. Tot die partij heb ik nooit willen toetreden, omdat ik vond dat ze zich op die manier totaal ongeloofwaardig maakte. Misschien verbaast het u al dat ik dat zomaar openlijk zeg en dat ik daardoor niet riskeer naar de kelders van het partijhuis gesleept te worden om er tot een publiekelijke zelfkritiek gedwongen te worden.

Een paar jaar geleden – en dat kan ook u niet ontgaan zijn – heeft de PVDA een resolute koerswijziging ingezet. Ze heeft het rigide pad verlaten en heeft zich omgevormd tot een open, linkse partij met een concreet programma voor de samenleving van vandaag. Het is pas bij die koerswijziging dat ik mijn lidkaart gekocht heb. Op het moment dus dat elk idee-fixe definitief tot het verleden ging behoren. Maar u verkiest die ommezwaai te negeren en te blijven verwijzen naar goelag en culturele revolutie, Stalin en Mao. U heeft gelijk als u zegt dat oude vormen en gedachten moeilijk sterven.

Ik leef vandaag, meneer Bracke, anno 2011, eenentwintigste eeuw. Met Stalin en Mao heb ik niets te maken. En ik nodig u, en iedereen die zich graag een eerlijk oordeel wil vormen, uit om het programma van de PVDA te lezen. En dan mag u mij altijd eens aanwijzen waar u iets tegenkomt wat doet denken aan communistische gruwelverhalen.

U suggereert dat ik de grote man ben achter het evenement ‘Niet in onze naam’. Dat is teveel eer. Ik ben wel degelijk een van de initiatiefnemers, maar ik wil er u graag attent op maken dat het evenement door verschillende actoren gedragen wordt. Er zijn allereerst de mensen uit de culturele sector, er zijn de vakbonden ACV en ABVV, en er is de academische wereld. ‘Niet in onze naam’ is dus een breed platform, waarin mensen van verschillende strekkingen vertegenwoordigd zijn. Ik begrijp dat u het geheel graag in een klein links hoekje zou willen situeren, maar dat strookt nu eenmaal niet met de werkelijkheid.

Door uw olijke intro over prinses Mathilde en haar voorkeur voor het werk van schrijver Dimitri Verhulst – die eveneens zijn medewerking verleent aan ‘Niet in onze naam’ – brengt u het evenement ook graag in verband met benepen en anti-Vlaams belgicisme en royalisme. Het is opmerkelijk hoe u en uw partijgenoten hardnekkig volhouden om elke kritiek op het Vlaams-nationalisme af te doen als nostalgie naar het Belgique à papa. Ook hier zou het nochtans moeten volstaan om aandachtig te lezen wat de verschillende actoren in het platform omtrent het Vlaams-nationalisme schrijven om duidelijkheid te krijgen. Het zal u moeilijk vallen ergens een passage te vinden waarin een van ons zich out als minnaar van het koningshuis of vurig verdediger van de bestuurlijke wantoestanden die er in elk landsdeel ongetwijfeld bestaan. Maar in uw rangen is men ofwel Vlaams-nationalist ofwel verzamelaar van koekjesdozen met foto’s van de koninklijke familie erop. Oude vormen en gedachten, ze sterven inderdaad een moeizame dood.

U beweert verder dat ik het moeilijk heb met de wil van de kiezer. Ook hier vergist u zich. Ik betreur uiteraard dat het Vlaams-nationalisme zoveel mensen weet te bekoren. Ik zou het graag anders zien. Maar ook voor mij is iedereen volledig vrij om te kiezen voor wat hem of haar het meest valabel lijkt. Maar u en uw partijgenoten – en als we de internetfora erop nalezen zeer zeker ook uw achterban – hebben duidelijk wel een probleem met om het even wie die ook maar de minste kritiek op het Vlaams-nationalistisch verhaal formuleert. Binnen uw partij is het zowat de gewoonte om elke kritiek af te doen als volksverraad en een miskenning van de verkiezingsuitslag. Het is alsof de N-VA wil zeggen dat wie de verkiezingen wint ook meteen het alleenrecht op spreken verwerft. Zo werkt het volgens mij niet. Wat we met ‘Niet in onze naam’ doen, is doodeenvoudig gebruik maken van het democratische recht om verzet aan te tekenen tegen een politiek verhaal dat niet het onze is. Oppositie heet dat.

En dan natuurlijk Cuba. Ik zou, zo stelt u, mijn onvoorwaardelijke steun geven aan het muziekfestival dat Steve Stevaert in Havana wil organiseren. Dat heb ik bij mijn weten nergens gezegd of geschreven. Maar wellicht bedoelde u te zeggen dat ik mijn onvoorwaardelijke steun geef aan het Cubaanse regime. Wel, ook wat dat betreft, zal ik u moeten teleurstellen.

Ik kan hier helaas niet al te zeer uitweiden over Cuba, het zou mijn tekst eindeloos lang maken. Want – als u mij toestaat een kleine frustratie te ventileren – het is makkelijk om in een paar clichématige pennenstreken iets neer te sabelen, maar het vergt altijd bladzijden tekst en uitleg om dat dan te weerleggen. Maar goed, laat mij u toevertrouwen dat ik helemaal niet vind dat in Cuba alles rozengeur en maneschijn is. Er is daar veel wat anders en beter kan of moet. Maar tegelijkertijd is er daar ook veel wat het verdedigen waard is. Cuba is nu eenmaal niet het zwart-wit verhaal dat u er graag van maakt.

Ik hoef u ongetwijfeld niet te vertellen dat de Koude Oorlog ruim twintig jaar geleden geëindigd is. Weet u nog, toen de Berlijnse Muur werd neergehaald en de ontspoorde en mislukte socialistische regimes ter ziele gingen? U leest dat goed, ontspoord en mislukt. Ook dat zeg ik zomaar open en bloot, en ik zal niet spoorloos verdwijnen om ondergebracht te worden in een heropvoedingskamp, ergens op een geheime locatie in de Ardeense bossen. Enfin, een mens zou verwachten dat na al die tijd een genuanceerd gesprek over een land als Cuba mogelijk zou zijn. Niet dus. U klampt zich liever vast aan een retoriek die alles reduceert tot de eenvoudige tweedeling tussen goed en kwaad. Die oude vormen en gedachten toch, ze willen maar niet sterven.

Als er iets is waaraan ik mij wil vastklampen, dan is dat een ideologie, met name het socialisme. Omdat die ideologie het tegendeel is van datgene waar u en uw partij voor staan. Waar u en uw partij voor staan, dat wordt voor mij door Riccardo Petrella in zijn jongste boek ‘Een nieuw verhaal van de wereld’ treffend omschreven als de ‘Universele Kapitalistische Theologie’. In deze rechtse leer staat de concurrentie centraal en wordt de waarde van een mens afgemeten aan zijn of haar concurrentievermogen. Wie dat vermogen weinig of niet bezit, telt niet mee en wordt verwezen naar de marge. Voor een socialist – en naar verluid bent u er veertien jaar lang zelf een geweest – is dat eenvoudigweg onaanvaardbaar.

In een gesprek met Tom Lanoye in het televisieprogramma ‘Reyers Laat’ zei u dat uw kinderen en kleinkinderen dezelfde kansen moeten krijgen die u zelf ook hebt gehad. Daar ben ik het volledig mee eens. En toch is er een verschil. Socialisten vinden ook dat kinderen en kleinkinderen dezelfde kansen moeten krijgen. Álle kinderen en kleinkinderen, wel te verstaan. In de ‘Universele Kapitalistische Theologie’ hangt het er maar van af wiens kind of kleinkind je bent.

met vriendelijke groeten,

Dirk Tuypens

Advertenties