‘Mijn stelling vandaag is dit: dat sommige dingen niet goed zijn om te lezen of te schrijven. Anders gezegd neem ik de bewering ernstig dat de kunstenaar heel veel riskeert door zich op verboden plaatsen te wagen: hij riskeert in het bijzonder zichzelf, riskeert misschien wel allen.’

Aan het woord is Elizabeth Costello, titelpersonage uit de in 2003 verschenen essayistische roman van de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee. Costello, een ouder wordende Australische schrijfster, arriveert in Amsterdam om er een lezing te geven over ‘het kwaad’. Op het moment dat ze de uitnodiging voor het geven van deze lezing ontving, was ze een roman aan het lezen over de mislukte samenzwering tegen Adolf Hitler. Ze was geschokt door de passages waarin de terechtstelling van de samenzweerders expliciet beschreven werd. Dat bracht haar ertoe haar lezing te ontwikkelen rond de vraag of het wel een goede zaak is om de menselijke gruwel in de literatuur aanschouwelijk te maken. Worden schrijvers en hun lezers daar wel beter van, of worden ze er integendeel misschien zelfs slechter van?

Elizabeth Costello stelt een oude, altijd terugkerende vraag. Hoe moet met geweld en gruwel omgegaan worden in de literatuur, in de kunst, in film, op televisie, in de media? Moeten we het allemaal beschrijven of niet, laten we het zien of niet? En zo ja, doen we dat dan expliciet of suggestief? Het zijn vragen die wellicht nooit een definitief en bevredigend antwoord zullen krijgen. Wat niet betekent dat ze dan maar beter niet meer gesteld worden. Waarschijnlijk zijn vragen die zonder sluitend antwoord blijven het allerbelangrijkst. Ze betreffen de meest precaire, meest fundamentele menselijke kwesties. Ze dienen altijd opnieuw gesteld te worden, uit te nodigen tot reflectie, debat, meningsverschil, onvolledige antwoorden. Om ons te behoeden voor verstarring, onverschilligheid en ontaarding.

De oude vraag van Elizabeth Costello kwam uitdrukkelijk opnieuw aan de orde bij de beelden van de moord op kolonel Mouammar Kadhafi. Moesten die beelden op de sites van alle kranten staan, moesten ze in alle journaals vertoond worden, moest het bebloede gezicht van de kolonel op alle voorpagina’s staan? Worden we daar beter van, of integendeel misschien slechter?

Persoonlijk werd ik bij het zien van die beelden overvallen door een sterk gevoel van schaamte. Niet zozeer omwille van de beelden zelf of wat ze laten zien – hoewel datgene wat zich op die beelden voltrekt zonder meer gruwelijk en barbaars is. Ook niet omwille van het feit dat ze getoond werden. Mijn schaamtegevoel werd gewekt door hoe ik verondersteld werd deze beelden te begrijpen en wat dat over ons, beschaafde westerlingen, duidelijk maakt.

Hoe we beelden lezen, wordt in grote mate bepaald door hoe ze omkaderd worden. Hoe worden ze ingeleid, hoe worden ze becommentarieerd, hoe en door wie wordt erop gereageerd? Misschien wel het meest tekenende en gênante stukje omkadering in dit geval was een kort filmpje waarop te zien is hoe Hillary Clinton het nieuws over de dood van Kadhafi verneemt via een Blackberry die haar door een medewerker in de hand wordt geduwd. Clinton spert verbaasd de ogen, laat haar onderkin diep zakken en zegt vervolgens: ‘Wow!’ Er volgt dan nog wat gegniffel en gelach over het feit dat het nieuws nog onbevestigd is. Het filmpje heeft geen enkele inhoudelijke waarde, maar laat duidelijk zien met welk gevoel men het publiek graag wil zien reageren op de gebeurtenis en de bijhorende beelden: Wow!

Deze lynchpartij – want dat is het onmiskenbaar – werd niet getoond om de kijker te ontstemmen, hem te schokken, zijn afschuw en verontwaardiging te wekken. Nee, dit geweld werd gepresenteerd als een heuglijke gebeurtenis, een aanleiding tot uitbundig gejubel, vreugde en jolijt. De aanblik van de overmeesterde en gewonde kolonel, die als een rat uit het riool wordt gesleurd en op klaarlichte dag midden op straat wordt afgemaakt, diende ons te vervullen met een intens gevoel van genoegdoening. Deze beelden moesten ons in een feeststemming brengen. Worden de media en hun publiek daar beter van, of misschien slechter?

De manier waarop de media met de dood van Kadhafi en de hysterische beelden ervan omgaan, zegt bijzonder weinig over Kadhafi zelf of wat er met hem gebeurd is. Het zegt vooral heel veel over onszelf. Over het ‘superieure’ Westen, dat zijn oorlogsmachine de wereld rondstuurt om de barbaren beschaving en democratie bij te brengen.

Het zegt natuurlijk veel over onze honger naar sensatie. Bij elke gruwzame gebeurtenis schreeuwen we om beelden. Alsof zonder beelden de gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden. We willen de gruwel niet zozeer doorgronden en begrijpen, we willen hem vooral zien. En hoe meer we gewaarschuwd worden voor de schokkende inhoud van de beelden, hoe gretiger we willen kijken. Bij de dood van Osama Bin Laden was het vergeefs wachten op beelden van de dode terrorist. De eerste honger werd dan maar gesust met vervalste foto’s. En groot was de ontgoocheling in medialand toen Barack Obama bekendmaakte dat er geen foto’s van het lijk zouden worden vrijgegeven.

Het zegt ook veel over onze media, die vanuit een niet te stillen honger naar scoops onbezonnen publiceren en uitzenden en altijd pas achteraf krakkemikkige verantwoordingen formuleren. ‘Kadhafi is gestorven zoals hij heeft geleefd en daarom zijn de beelden relevant’, schreef een journalist van De Standaard. Wie gewelddadig leefde, verdient niet alleen een gewelddadige dood, bovendien is het ook nog eens wenselijk dat de hele wereld zich daar verkneukelend aan zit te vergapen. Koekje van eigen deeg dus. Een motivatie die sterk ruikt naar wraakzucht, oog om oog en tand om tand.

Maar bovenal zegt het iets over hoe wij wensen om te gaan met staatsmannen die tot vijand van de vrije, democratische wereld verklaard zijn. Vijanden van het Westen zijn vandaag vogelvrij. Loslopend wild waarop door iedereen vrij gejaagd kan worden. Wie het label ‘dictator’ draagt, wordt geen eerlijk proces meer gegund. Dictators moeten bloeden. En we willen hun bloed over het televisie en computerscherm zien vloeien. We lijken steeds verder te verglijden in een Far West cultuur, waar boeven worden opgejaagd, uitgerookt en aan de dichtst bij zijnde boom opgeknoopt.

Hét referentiepunt voor vijandige staatsmannen in zonder twijfel Adolf Hitler. Saddam Hoessein was de ‘Hitler van het Midden-Oosten’, Slobodan Milosevic de ‘Hitler van de Balkan’. Vergelijkingen tussen Kadhafi en Hitler zijn ook nooit ver weg geweest. Hitler zelf heeft de geallieerden natuurlijk verlost van de vraag wat ze met hem aan moesten. Maar laten we even veronderstellen dat hij levend uit zijn Berlijnse bunker zou gehaald zijn. Zouden hysterische soldaten hem dan over straat gesleurd hebben, zouden ze hem geslagen en gestampt hebben? Zou hij bloedend tegen een vrachtwagen gegooid zijn en met een paar pistoolschoten afgemaakt? Het is moeilijk denkbaar dat de bezieler van het Derde Rijk op die manier aan zijn eind zou geholpen zijn. In ieder geval doet de manier waarop met andere Nazi-kopstukken werd omgegaan vermoeden dat men niet zou hebben toegestaan dat de Führer op straat gelyncht zou worden. De beulen van Hitler werden voor het tribunaal geleid, werd verzocht zich te verantwoorden, kregen de kans zich te verdedigen. De architecten en uitvoerders van de grootst denkbare gruwel werden voor hun reële misdaden berecht. Vandaag gaat het anders.

Elizabeth Costello indachtig, is dit vandaag mijn stelling: media die een gebeurtenis als de moord op kolonel Kadhafi herleiden tot een banaal wow-event, riskeren veel. Ze cultiveren een ongezonde zucht naar sensatie en dragen in belangrijke mate bij tot een primitieve cultuur van wraak en vergelding. Of de media zelf en hun publiek daar beter van worden, …?

Advertenties