Op zich is het niets nieuws. Stakingen wekken altijd wrevel bij een deel van de bevolking. Maar wat we sinds de staking van 22 december zien, is ongekend. Er was wellicht nooit eerder zo’n sterke polarisatie tussen voor en tegenstanders van een staking als actiemiddel. En het kamp van de tegenstand laat geen kans onbenut om te proberen de publieke opinie voor zich te winnen. In tal van opiniestukken krijgen de vakbonden de wind van voren, liefst negenentachtig procent van de bevolking zou niet willen staken, bekende en minder bekende burgers roepen op om niet mee te doen, er circuleren zelfs petities tegen de geplande vakbondsacties.

Een vaak terugkerend argument waarmee tegenstanders ons willen overtuigen van het zinloze en zelfs onverantwoorde karakter van een staking, is dat de situatie in ons land al bij al nog niet zo slecht is. We hebben hier bij ons nog geen sociaal bloedbad, heet het dan. Kijk maar naar andere landen: Griekenland, Ierland, Spanje , Portugal of Roemenië. Daar worden de mensen pas echt getroffen. Bij ons is het ergste wel afgewend.

Daarbij stelt zich dan meteen de vraag waar de te overschrijden grens ligt. Wanneer is de situatie ernstig genoeg om sociale actie te rechtvaardigen? Als de sociale ravage net zo groot geworden is als in de hiervoor genoemde landen? Zijn de stakingen en betogingen van de Grieken, de Ieren, de Spanjaarden, de Portugezen en de Roemenen wel geoorloofd? Je zou het denken.

Of toch niet? Want er is nog een ander altijd opduikend argument. Namelijk dat sociale actie in tijden van crisis lichtzinnig is. In tijden van crisis dient iedereen constructief mee te werken om orde op zaken te stellen. Staken kost geld en schaadt de economie. Het helpt ons allemaal niets vooruit. Integendeel, de situatie wordt er alleen nog slechter van.

De argumentatie van de tegenstanders lijkt de voorstanders klem te willen zetten: in volle crisis zijn stakingen doodeenvoudig niet gepermitteerd. Crisis is een situatie die daarvoor tegelijkertijd niet ernstig genoeg en veel té ernstig is. Actie kan alleen als alles goed gaat en we ons wel een dagje staken kunnen veroorloven.

Het gangbare betoog tegen de staking suggereert een bedrieglijke idee van samenhorigheid. Namelijk de idee dat iedereen – van hoog tot laag, rijk of arm – in gelijke mate slachtoffer is van de crisis. We worden allemaal getroffen. En dat maakt ons tot bondgenoten, niet? De crisis is een gemeenschappelijke vijand die we alleen met vereende krachten kunnen bedwingen. Wat we als kiespijn kunnen missen, is een verspreide slagorde. We moeten nu eenmaal samen door die zure appel bijten. Er is geen andere mogelijkheid, toch?

Het komt er dus op neer dat we allemaal in hetzelfde lekkende schuitje zitten. Dat zal niemand ontkennen, maar het betekent nog niet dat we collectief verantwoordelijk zijn voor de opgelopen averij. Het is ondertussen genoegzaam bekend op wiens rekening de scheepsramp geschreven dient te worden. Laten we maar zeggen: zij die de schuit besturen en dat voor eigen eer, glorie en vooral gewin op een roekeloze manier hebben gedaan en nog altijd doen. De doorsnee passagier heeft nooit enige zeggenschap gehad over welke koers het schip moest varen. En nu het schip gestrand is, blijken ook de reddingssloepen niet voor iedereen even toegankelijk. De stuurlui vertonen vandaag een opmerkelijk Schettino-gedrag. Terwijl het schip dreigt te kapseizen, haasten ze zich van boord en doen alsof ze de reddingsoperatie leiden. In werkelijkheid proberen ze alleen hun eigen hachje en fortuin te redden.

De idee dat we allemaal op dezelfde manier hetzelfde noodlot ondergaan, is een illusie. Wie de nodige strepen op zijn schouders heeft staan, is al lang op het droge. Het echte pompen of verzuipen is voor de massa passagiers die zich veilig waanden op een schip dat geacht werd nooit te kunnen zinken.

De Schettino’s van deze wereld vertoeven dezer dagen in Davos, waar ze in het openingsdebat meteen duidelijk de toon hebben gezet: bedrijven hebben veel te weinig macht, ze worden gehinderd door een stortvloed aan regels, consumenten moeten niet te veel zeuren over de gevolgen van de globalisering, uitzinnige lonen voor bedrijfsleiders zijn onvermijdelijk, als rijke mensen weinig belastingen betalen is dat alleen maar omdat de wet dat toelaat.

Aan retoriek geen gebrek. Ze zijn het allemaal eens dat het kapitalisme van morgen niet het kapitalisme van gisteren kan zijn. Maar hoe dat nieuwe kapitalisme dan moet functioneren, daar heeft niemand een antwoord op. Tot het aanvaarden van verantwoordelijkheid lijkt in ieder geval niemand bereid. Elke suggestie of vraag in die richting wordt afgedaan als heksenjacht. En er is in het panel natuurlijk maar één vervelende stoorzender die zich hieraan bezondigt. Juist ja, een vakbondsvrouw.

Er circuleert op het internet een interessant filmpje dat gemaakt werd op een persconferentie in Ierland. De Ierse journalist Vincent Browne legt een pertinente vraag voor aan Klaus Masuch, een hoge pief van de Europese Centrale Bank. Wat zou Masuch antwoorden wanneer een doodgewone taxichauffeur hem zou vragen waarom de Ierse burgers fortuinen moeten ophoesten om schulden te vereffenen waar zij niets mee te maken hebben? Masuch geeft daarop een ontwijkend antwoord waarin hij vooral benadrukt dat zonder de genomen maatregelen de financiële instellingen grote schade opgelopen zouden hebben. Browne neemt daar geen genoegen mee en herhaalt zijn vraag meermaals. Masuch weigert nog te antwoorden. De journalist concludeert verontwaardigd: ‘Dat is het dan? Geen antwoord?’

Dit filmpje maakt duidelijk waarom een staking wel degelijk geoorloofd is. Omdat mensen als Klaus Masuch en de mensen die zij vertegenwoordigen – ze zouden voortaan allemaal beter de naam Schettino dragen – de pretentie hebben te denken dat de kapiteinspet die ze dragen hen het recht geeft om de volkeren van Europa te dicteren welke offers zij allemaal moeten brengen om de verkwanselde fortuinen van een financiële elite te recupereren. Omdat ze zo hoogmoedig zijn te veronderstellen dat hun dictaten geen enkele tegenspraak dulden. Omdat ze zo arrogant zijn te denken dat ze op de legitieme vraag naar het waarom geen antwoord moeten geven.

Een dergelijke arrogantie verdraagt geen lijdzaamheid, maar vraagt om een stevige reactie. Dit soort botte eigengereidheid geeft ons het recht te eisen dat er een antwoord komt, dat verantwoordelijkheden erkend en aanvaard worden en dat alternatieven een democratische kans krijgen.

Advertenties