Het principe is eenvoudig. Wie een cultureel project wil ontwikkelen, stelt dat voor op een crowdfundingplatform op het internet. Particulieren en bedrijven kunnen via dat platform een financiële bijdrage leveren om de realisatie van het project mogelijk te maken. Voorstanders zien alleen maar voordelen: het maatschappelijk draagvlak voor kunst en cultuur wordt versterkt, kunstliefhebbers bepalen zelf mee wat er gerealiseerd wordt. Een gedroomde symbiose tussen cultuurmakers en cultuurgebruikers.

Kunstenaars die bij hun potentieel publiek geld bij mekaar ronselen om hun ding te kunnen doen. Klinkt op zich niet verkeerd. Maar hoe onschuldig is het nog wanneer dat systeem ingeschreven wordt in het cultuurbeleid van de overheid?

Er wordt in dit verband veel verwezen naar Nederland, waar crowdfunding veel meer ingeburgerd is dan in Vlaanderen. Goed dus om even over onze noordergrens te kijken.

Daar zien we dat crowdfunding deel uitmaakt van een ruimer begrip: “cultureel ondernemerschap”. Dat werd in Nederland in 1992 op de kaart gezet door Giep Hagoort, lector Kunst en Economie aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Hagoort omschrijft cultureel ondernemerschap als balancerend tussen culturele en economische waarden. Het steunt op twee fundamentele vrijheden: de vrijheid om kunst te maken en te tonen enerzijds, de vrijheid van ondernemen anderzijds. De wisselwerking tussen deze twee moet leiden tot een kunsteconomisch proces dat resulteert in een grotere autonomie van kunstenaars binnen de creatieve industrie.

Eind jaren negentig introduceert toenmalig staatssecretaris voor cultuur en media Rick van der Ploeg het begrip cultureel ondernemerschap in het overheidsbeleid. De uitdrukkelijke doelstelling daarbij is de subsidieafhankelijkheid van de cultuursector sterk verminderen. In zijn nota over een “ondernemende cultuur” uit 1999 pleit van der Ploeg voor het toepassen van commerciële technieken. Cultuurmakers moeten beter toegerust worden voor een maatschappij waarin marktwerking een steeds grotere rol speelt.

Het kabinet-Rutte, dat aantreedt in 2010, gaat volledig op deze weg verder. De overheidsbemoeienis met kunst en cultuur moet teruggeschroefd worden, er moet meer aandacht zijn voor de “verdiencapaciteit” van cultuur, de creatieve industrie moet bijdragen aan de economie, giften aan culturele instellingen worden fiscaal aantrekkelijk gemaakt.

In de beleidsnota Cultuur van Vlaams minister Schauvliege van 2009 herkennen we dezelfde strategie. Ondernemerschap heet inherent te zijn aan creatieve vernieuwing, de culturele en economische wereld worden beschouwd als twee elkaar aanvullende werelden. De minister wil de cultuurindustrie in Vlaanderen verder ontwikkelen en culturele organisaties aansporen om via gemengde en alternatieve financieringsvormen op zoek te gaan naar inkomsten.

De teneur is helder. De overheid acht zichzelf steeds minder verantwoordelijk voor de ontwikkeling van een rijk cultureel landschap. De cultuursector moet daar zelf maar voor instaan, gebruikmakend van de markt. Opvallend is het gebruikte vocabulaire. Er wordt niet meer gesproken over kunstenaars, cultuur of cultuursector. Nee, het gaat nu over cultureel ondernemers, ondernemende cultuur en creatieve industrie. Het past allemaal wonderwel in het neoliberale concept van de “ondernemende samenleving”. Alle maatschappelijke sectoren moeten gekoppeld worden aan ondernemerschap: onderwijs, gezondheidszorg, wetenschap, cultuur. De overheid trekt zich uit al die sectoren meer en meer terug.

Crowdfunding speelt helemaal in op deze beleidsstrategie. Roy Cremers, oprichter van het crowdfundingplatform Voordekunst, zegt het zo: “Wie zich wil presenteren op Voordekunst moet denken als een ondernemer. Wij selecteren niet zozeer op artistieke kwaliteit, maar op de haalbaarheid van het plan.”

De verdere vermarkting van de cultuursector dient zich aan. Het spreekt voor zich dat op dit alternatieve financieringspad alleen plek zal zijn voor cultuurproducten die goed in de markt liggen. Geert Buelens, literatuurprofessor en essayist, zegt: “Ongetwijfeld zijn er bepaalde onderdelen van het kunstenveld die zich lenen voor ondernemerschap, en die winst kunnen boeken. Maar voor het grootste deel van de cultuursector geldt dat niet: het is net een sector die altijd buiten de markt zal vallen.”

De kunstenaar-ondernemer wordt verplicht zijn projecten af te stemmen op de wensen van de markt. Zeker wanneer hij mikt op gulle giften van bedrijven. Voor hen is crowdfunding immers een extra publiciteitskanaal en zij verwachten voor hun investering een return. Met hun steun kopen ze in feite aandelen in cultuurprojecten. Als die projecten opbrengen, moeten er dividenden betaald worden.

Voorstanders van cultureel ondernemerschap en crowdfunding bezweren ons dat er geen gevaar dreigt voor commercialisering en aantasting van kwaliteit. Maar daarbij wordt een belangrijk gegeven uit het oog verloren. Namelijk dat de gecommercialiseerde culturele sector al lang een feit is. De verkoopwaarde van het cultuurproduct is al lang verheven tot kwaliteitsnorm. Het is net omwille van die realiteit dat ondernemers, bedrijven en zakenlui plots interesse krijgen in cultuur. Omdat de cultuurindustrie zich al grotendeels ontwikkeld heeft en perspectieven biedt op nieuwe winstmogelijkheden. Cultureel ondernemerschap en crowdfunding zullen die bestaande commercialisering bestendigen en verder verdiepen.

Kunst en cultuur enerzijds, en management en economie anderzijds zijn slechte huwelijkspartners. Management en economie zijn gericht op massificatie en winstbejag. Dat leidt onvermijdelijk tot aantasting en vervlakking van de verbeeldende waarde van de kunst.

Crowdfunding is geen antwoord op, maar een gewillig meegaan in een beleidsstrategie die overheidssubsidies doet afnemen en de culturele sector overlevert aan de nefaste invloed van de markt.

Advertenties