De stad Kortrijk gaat hangjongeren in het Begijnhofpark bestrijden met klassieke muziek. Vanaf volgende week klinken in het park strijkjes, sonates, concertos en symfonieën om het deftige publiek te bekoren en het canaille te irriteren. Jongeren houden niet van klassieke muziek en zullen dus snel opkrassen, zo is de redenering. Volgens burgemeester Stefaan De Clerck is de bedoeling allereerst om een aangename sfeer te creëren. Het park moet een ‘salon van de stad’ worden. Het verdwijnen van overlast ziet hij als een mooi meegenomen neveneffect.

Het bericht was goed voor wat smalende reacties, een poll op de website van De Morgen en een handvol ironische tweets. Maar het Kortrijkse ideetje verdient wat meer aandacht. Het past immers perfect in een problematische moderne stadsontwikkeling die zich volledig afstemt op de financieel gegoede burger en de kwetsbare groepen systematisch uitsluit.

Wie biedt meer?

Het is opvallend hoe in de aanloop naar de verkiezingen van veertien oktober een eerder ongebruikelijk thema plots centraal in the picture staat: stadsontwikkeling. Er zal de komende maanden nog heel wat gedebatteerd worden over hoe we onze steden willen zien evolueren. Voor welk soort stad kiezen we? Welke grondvisie willen we hanteren om over de stad te denken?

Voor alle partijen in het centrum en rechts van het spectrum gaat de uitgesproken voorkeur naar een neoliberaal stadsmodel. De stad die zichzelf tot een commercieel product maakt en zich zo goed mogelijk tracht te verkopen als ideale plek om te investeren, te consumeren, luxueus te wonen en rijkelijk te leven. Het model dat de laatste jaren ook volop in ontwikkeling is. Bouwen en verbouwen, heraanleggen en herbestemmen, vernieuwen en verfraaien…de prestigieuze opwaardering van onze steden is niet te stuiten.

In dat neoliberale stadsmodel speelt ook cultuur een belangrijke rol. ‘Cultuur is een dankbaar instrument voor imagebuilding, een hefboom voor uitstraling’, merkt Bart Caron op in zijn boek ‘Niet de kers op de taart – waarom kunst en cultuurbeleid geen luxe is’. ‘Voor steden speelt de ambitie om zich te onderscheiden van andere gelijkaardige steden. City marketing is in alle steden een item.’

Ook de Mechelse burgemeester Bart Somers heeft de marktwaarde van cultuur goed begrepen. In zijn jongste boek ‘Mechelen – bouwstenen voor een betere stad’ schrijft hij: ‘Als we een bruisende stad willen, dan is cultuur onze sterkste troef. Daar kunnen wij het verschil maken. Mechelen is de kleinste van de vijf cultuursteden van Vlaanderen, maar we zijn wel in dat kransje opgenomen…De voorbije jaren worden die vijf Vlaamse kunststeden gezamenlijk in de internationale markt gezet. Met toenemend succes. Al zijn we nu nog de kleinste van de club, nergens stijgt het aantal toeristen zo snel als in Mechelen…Het betekent dat we nog meer dan we tot nu toe deden onze stad moeten verkopen, tot over de landsgrenzen. Met elk artikel dat Mechelen aanprijst als boeiende toeristische bestemming, met elk televisieprogramma in onze stad opgenomen raken we beter bekend en bemind.’

De toon voor het stedelijk cultuurbeleid is gezet. Cultuur wordt gewaardeerd in zoverre die nuttig wordt geacht voor de ontwikkeling van de neoliberale elitestad. Hoe kan cultuur bijdragen om het imago van de stad op te krikken? Hoe kan cultuur een instroom van toeristen bewerkstelligen? Hoe kan cultuur de locale horeca ten goede komen? Dat zijn de uitgangsvragen voor het beleid. Het antwoord is eenvoudig: investeer in grootschalige cultuurprojecten en indrukwekkende infrastructuur.

Laat ik dat illustreren met een voorbeeld uit Mechelen. Burgemeester Bart Somers lanceerde in zijn voornoemde boek de idee om in het centrum van de stad een nieuwe podiumzaal te bouwen die plaats biedt aan achthonderd toeschouwers. Een paar dagen later kondigt de Sp.a van Caroline Gennez aan dat zij een podiumzaal willen voor tweeduizendvijfhonderd toeschouwers. Onmiddellijk daarna laat Bart Somers weten dat er onderhandelingen aan de gang zijn om een megazaal voor maar liefst zesduizend toeschouwers neer te zetten, naast de reeds aangekondigde zaal voor achthonderd toeschouwers. Wie biedt meer? Cultuurbeleid wordt een beleid van inter- en binnenstedelijke concurrentie, een beleid van tegen mekaar opbieden en strijden om de titel van meest prestigieuze cultuurstad.

De kolonisatie van cultuur

De neoliberale stadsontwikkeling verloopt niet zonder slag of stoot. Ze voltrekt zich tegen een achtergrond van toenemende sociale ongelijkheid. Die ongelijkheid tekent zich met name in de steden steeds scherper af. De verwachte bevolkingstoename in al onze steden zal de sociaal-economische tegenstellingen in de nabije toekomst alleen nog verdiepen. De Britse sociaal-geograaf David Harvey ziet de moderne stad dan ook als de plaats waar opnieuw een openlijke klassenstrijd wordt gevoerd of in de toekomst gevoerd zal (moeten) worden. In de moderne stadsontwikkeling ziet hij een poging om ‘steeds meer ruimte te koloniseren voor de geraffineerde genoegens van de rijksten.’

De bestuurders van onze steden zitten met een probleem. Ze zijn volop bezig om een stedelijk biotoop te ontwikkelen waarin de rijken en de betere middenklassers zich thuis voelen, zich veilig wanen en onbekommerd hun comfortabele levenswijze kunnen ontplooien. Maar tegelijkertijd worden ze geconfronteerd met een uitbreidende onderklasse, steeds grotere groepen mensen die de ontwikkeling van de neoliberale elitestad belemmeren.

In het lentenummer 2009 van het Vlaams Marxistisch Tijdschrift omschrijven Pascal Debruyne en Maartje De Schutter welk antwoord de stadsbestuurders op dit probleem gevonden hebben: ‘De centrale doelstelling is deze onderklasse en “storende elementen” expliciet uit het zicht te verwijderen. Hiervoor wordt een defensief architecturaal en infrastructureel beleid gevoerd dat rondlummelen ontmoedigt en het “lompenproletariaat” verjaagt door middel van bewakingscamera’s, sprinklers, de verwijdering van bankjes, private bewaking, hekken, antislaapbanken, de ondertussen beroemde Mosquito die een ultrasoon geluid uitzendt dat jongeren wegjaagt, de verregaande ASBO’s/Anti Social Behaviour Orders in het Verenigd Koninkrijk en natuurlijk de gemeentelijke administratieve sancties (de GAS-wet) en andere ruimtelijk-repressieve maatregelen zoals een samenscholings- en straatverbod bij ons in Vlaanderen.’

En zie, ook in deze strategie krijgt cultuur een uitgesproken plek toebedeeld. In Kortrijk wordt cultuur ingeschakeld in het ‘geïntegreerd veiligheidsbeleid’. Een instrument in de strijd tegen overlast.

Het zegt veel over het cultuurdenken in onze Vlaamse cultuursteden. Al jarenlang wordt er gepalaverd over cultuurparticipatie. Er wordt heel veel geïnvesteerd in allerlei projecten en programma’s om kansengroepen aan te sporen deel te nemen aan het culturele leven. In hoeverre dat allemaal succesvol is, dat is een andere vraag. Maar op zijn minst is er een intentie om cultuur tot een gemeenschappelijk goed te maken. Compleet in tegenstelling tot die intentie cultiveren onze steden doelbewust een elitecultuur. Of om het met Harvey te zeggen: het culturele domein in de stad wordt gekoloniseerd voor de geraffineerde genoegens van de rijksten. Dat gekoloniseerde cultuurdomein dient niet alleen om een klassenonderscheid scherp te stellen, maar wordt zonodig ook als wapen gehanteerd tegen een ongewenste onderklasse. Naast welzijnsbeleid en veiligheidsbeleid, wordt nu ook het cultuurbeleid een instrument om de onderklasse te disciplineren.

Die onderklasse wordt opgesloten in een commerciële pulpcultuur, in de slaapverwekkende carrousel van het oppervlakkige entertainment. De stedelijke elite wentelt zich in verheven cultuurervaringen, gepresenteerd in fonkelnieuwe cultuurtempels waartoe het klootjesvolk omwille van hoge toegangsprijzen nooit toegang krijgt. Om het geweten te sussen wordt het gepeupel via cultuurpasjes een handvol cultuurkruimels toegeworpen, waarvan geweten is dat ze maar mondjesmaat worden opgeraapt, omdat cultuur in een leven aan de onderkant nooit een prioriteit kan zijn, zelfs niet met aanzienlijke kortingen.

Naar een democratisch cultuurbeleid

‘Een rechtvaardige en duurzame samenleving kan alleen maar mee bewerkstelligd worden door de mens als cultuurwezen en vooral als cultuurmaker hoger te waarderen. Cultuur kan een instrument zijn om menswaardiger en socialer samen te leven. Kunst zal de wereld niet redden, maar kunst en cultuur kunnen een verschil maken. Daarom is het belangrijk om alle mensen als actieve deelnemers te erkennen en erbij te betrekken.’ Dat schrijft hoogleraar in de antropologie Rik Pinxten in zijn boek ‘De artistieke samenleving’. Het citaat geeft een duidelijke richting aan waarin een wenselijk stedelijk cultuurbeleid zich dient te ontwikkelen.

Steden moeten inzetten op een echt socialiserend cultuurbeleid. Zo’n beleid heeft als finaliteit niet een hoge bezettingsgraad van hotels en een klinkende omzet van de horeca, maar een culturele activiteit waarbij alle inwoners van de stad daadwerkelijk betrokken zijn. Het verlaat de idee van cultuur als een klassen-onderscheidend instrument, maar beschouwt cultuur als een onmisbaar element in de ontwikkeling van een sociale leefomgeving waarin iedereen zijn plek heeft. Het is een beleid dat afstapt van de concentratie van cultuur in schitterende cultuurtempels in het centrum, maar culturele infrastructuur en een volwaardig cultureel aanbod voorziet tot in de kleinste uithoeken van de stad. Het is een beleid dat ook het grootste belang hecht aan een brede culturele ontwikkeling voor iedereen. Zoals Rik Pinxten schrijft: ‘Er kan niet genoeg belang gehecht worden aan de rol van cultuur en smaak- en kunstvorming. In deze postindustriële maatschappij moeten we dringend en dwingend aandacht beginnen schenken aan de vele culturele aspecten van het menselijk bestaan. De onheilzame exclusiviteit van de homo economicus, ook voor de politici, moet in vraag worden gesteld.’

Een dergelijk beleid kan alleen succesvol vorm krijgen wanneer de stad op alle beleidsdomeinen streeft naar een zo groot mogelijke gelijkheid onder haar inwoners. Daar ligt een essentiële keuze. De stad kan de ongelijkheid die op hogere politieke niveau’s wordt gecreëerd misschien niet oplossen, maar ze heeft wel de keuze om die ongelijkheden te versterken of ze te verzachten. In Kortrijk kiest men voor het eerste. Pijnlijk, want een stad die cultuur inzet om ongewenste burgers te verjagen, zal nooit de naam cultuurstad waardig zijn.

Advertenties