Het begint allemaal midden november vorig jaar, met een ogenschijnlijk onbeduidend akkefietje in het pas door de N-VA veroverde Antwerpen. Behoud de Begeerte, kunstencentrum voor literatuur, lanceert de idee om het Pieter de Coninckplein om te dopen tot Herman de Coninckplein, als eerbetoon aan de in 1997 in Lissabon overleden Antwerpse dichter.

Bart De Wever sneert dat hij nog nooit een dergelijk idioot voorstel heeft gehoord en niet begrijpt waarom het literaire wereldje een politiek punt probeert te scoren door Pieter de Coninck te bestempelen als ‘maar’ een romanfiguur. Een opmerkelijke bitsigheid, temeer omdat het hier toch gaat om een voorstel en niet om een absolute eis.

Eind december publiceert De Wever dan een opinietekst in De Standaard over de waarde van kunst. Daarin ontwikkelt hij twee gedachten. Ten eerste dat de autonome kunstenaar een mythe is, die alleen bestaat in de verbeelding van de kunstenaar. Een kunstenaar kan nooit absoluut autonoom zijn, omdat hij altijd afhankelijk is van wie bereid is de nodige financiële middelen te verstrekken. Hij moet zich dus altijd gewillig schurken tegen de machthebbers. Voor de goede verstaander: de kunstenaar die een waarachtige autonomie nastreeft, dient zich ver weg te houden van de verlokkingen van overheidssubsidie.

Tweede gedachte is dat Vlaamse kunstenaars gevangen zitten in een behoudsgezinde kramp. Enerzijds omdat de gevestigde machtsorde waardoor ze zich beschermd zouden voelen – het federale België – op losse schroeven zou staan. Anderzijds omdat ze zich niet meer verbonden voelen met het eigen verleden, de eigen cultuurproducten niet ernstig nemen en weigeren om opnieuw waarde te hechten aan wat vroeger heilig werd geacht. Opnieuw voor de goede verstaander: Vlaamse kunstenaars moeten het Belgische niveau de rug toekeren en een gepaste waardering ontwikkelen voor de normen en waarden die verbonden zijn aan de Vlaamse geschiedenis, de Vlaamse strijd en de Vlaamse identiteit.

Het leidt allemaal tot pittige polemieken in de media, maar algauw wordt alles afgedaan als de zoveelste vervelende aanvaringen tussen De Wever en de “culturele elite”. Nochtans krijgen we hier een helder inzicht in de visie van N-VA op kunst en cultuur en het cultuurbeleid dat de partij nastreeft.

De kunstenaar-lakei

De Wever is niet bepaald zuinig op het spek wanneer hij, zich beroepend op Nietzsche, poneert dat niemand zo omkoopbaar is als een kunstenaar. Om de autonomie van de kunstenaar naar het rijk der mythen te verwijzen, schuift hij een andere mythe naar voor: de kunstenaar-lakei. De “culturele elite” van Vlaanderen als zelfgenoegzame verzameling belgicisten en royalisten, belust op de vetpotten die ze op het federale niveau en in koninklijke kringen zouden kunnen leegschrapen.

Deze mythe is in N-VA kringen erg populair, maar heeft doodeenvoudig geen grond. Als Vlaamse kunstenaars inderdaad subsidieverslaafde lakeien waren die bedelen om het manna van de gevestigde machtsstructuren, dan zouden ze niet nalaten om uit volle borst de Vlaamse Leeuw te bejubelen. De zogeheten culturele vetpotten – alles is perceptie – bevinden zich namelijk sinds jaar en dag op Vlaams niveau.

Wiens brood men eet…

De kwestie van de autonomie van de kunstenaar is een stuk genuanceerder dan de N-VA wil laten uitschijnen.

In een bijdrage aan Boekman – Nederlands tijdschrift voor kunst, cultuur en beleid – wijst de Nederlandse filosoof Kees Vuyk op het feit dat overheidsbemoeienis met de kunst van alle tijden is. Dat klinkt misschien evident, maar door kunstenaars is dat zeker niet altijd zo ervaren.

Vuyk verwijst naar de periode na de Tweede Wereldoorlog (1945-1980). Hij stelt vast dat westerse overheden in dat tijdperk een opvallende interesse tonen voor kunstbeleid. Participatie, verheffing en vorming zijn nobele streefdoelen die daarin centraal staan. Kunstenaars die in die tijd opgroeien, hebben de indruk dat de overheid kunst ondersteunt louter omwille van de kunst zelf. Maar de gulle overheidshand heeft wel degelijk ook een politieke beweegreden. In het kader van de Koude Oorlog worden de kunsten ook gehanteerd als ideologisch wapen. Ze moeten de burger doordringen van een westerse invulling van begrippen als democratie en vrijheid.

Dat het naoorlogse kunstbeleid ook politiek gemotiveerd is, wordt duidelijk zodra er, na de val van het communisme, een nieuw ideologisch kader ontstaat. De westerse wereld gaat uit van een absolute suprematie van het kapitalisme en plots zien we hoe het kunstbeleid onder vuur komt te liggen. De kunsten worden nu immers verondersteld bij te dragen tot de verbreiding van een nieuwe ideologie, die van de alles overheersende vrije markt. Kunstenaars worden nu beschouwd als producenten van artistieke koopwaar, hun werk wordt beoordeeld op basis van zijn economische waarde.

Volgens Kees Vuyck ligt het probleem niet in het instrumentele van het kunstbeleid op zich. Beleid is immers altijd instrumenteel. Kunstenaars moeten niet wakker liggen van het feit dat beleidsmakers met hun beleid iets wil bereiken, maar wel voortdurend alert zijn voor wàt ze willen bereiken. Ze moeten zich dus afvragen of zij en hun werk kunnen en/of willen bijdragen tot dat doel, in hoeverre ze dat willen, waar ze grenzen trekken, of hen de nodige ruimte tot afstand en kritiek gelaten wordt. Door die constante bevraging moeten ze zich binnen het spanningsveld tussen henzelf en de overheid handhaven en erover waken dat ze hun artistieke integriteit niet te grabbel gooien.

Tot op heden lijkt dat spanningsveld in Vlaanderen nog behoorlijk beheersbaar. En dat in twee richtingen. Kunstenaars maken, ook met subsidiegeld, kunst die vragen stelt en kritiek formuleert, en geenszins blijk geeft van ruggengraatloos in de pas lopen. En bij de besluitvorming omtrent subsidieverdeling is er vooralsnog ook nog geen sprake van inhoudelijke criteria. “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt” is hier dan ook een simplistische voorstelling van zaken.

Vanwaar dan toch die bezetenheid van de N-VA met dat drogbeeld van de Vlaamse kunstenaar als schotelvod? Om daarop een antwoord te krijgen, moeten we ons, gevolg gevend aan Kees Vuyk, afvragen waarin het instrumentele van het door N-VA betrachte cultuurbeleid bestaat. We zien dan een tweeledige finaliteit: enerzijds de volledige vermarkting van cultuur, anderzijds cultuur als kruiwagen voor Vlaamse natievorming.

Kunst op de markt

In de alles overheersende ideologie van de vrije markt wordt een subsidiebeleid voor cultuur beschouwd als een anomalie. In de voorbije twee decennia wordt op Europees niveau en binnen de Europese lidstaten gewerkt aan de ontwikkeling van een heel ander beleid. Het sleutelbegrip daarin is “creatieve industrie”.

In dit concept worden subsidies voor cultuur sterk in vraag gesteld. Zowel in teksten van de Europese Commissie als van het Flanders District of Creativity, de Vlaamse organisatie voor meer ondernemerscreativiteit, lezen we dat subsidies eigenlijk neerkomen op concurrentievervalsing. Men pleit voor de opheffing van elk verschil tussen marktgerichte en niet-marktgerichte cultuurproducten, beide worden kwalitatief gelijkwaardig geacht. Wie nog durft beweren dat commercie dodelijk is voor artistieke kwaliteit, lijdt aan cultuurpessimisme. Commercie en creativiteit heten voortaan “complementaire dynamieken”. Kwaliteitsvolle creatieve productie heeft dus niet noodzakelijk nood aan subsidies.

Uit de visietekst cultuur van 2004 blijkt dat de N-VA zich in deze beleidslijn best kan vinden: “Eén van de belangrijkste uitdagingen voor vandaag en morgen is de samenwerking met de commerciële sector. De overheid moet niet afkeurend, noch afkerig staan ten opzichte van de commerciële sector. Wanneer de commerciële sector kan ingeschakeld worden om de beleidskeuzes te realiseren, dan moet publiek-private samenwerking, mits duidelijke afspraken, ook inzake financiële return, mogelijk zijn.”

Ook het bestuursakkoord voor Antwerpen sluit hier bij aan. Cultuur heet de motor van innovatie, een aantrekkingspunt voor toerisme en economische bedrijvigheid, creativiteit is een noodzakelijke voorwaarde om de stad economisch uit te bouwen en te profileren, de synergie tussen ondernemingen en de culturele sector is belangrijk voor een aantrekkelijk investeringsklimaat, cultuur moet een onderdeel vormen van de Antwerpse city-marketing.

Hier wordt duidelijk waarom de N-VA zo fervent volhoudt dat de gesubsidieerde kunstenaar een hielenlikker is. Waarachtig autonoom is voor de N-VA alleen de kunstenaar-ondernemer, die zich een plek op de markt zoekt en zich ten dienste stelt van economische ontwikkeling.

Zieltjes winnen

In een reactie op de discussie rond het de Coninckplein schrijft N-VA kamerlid Daphné Dumery dat in de strijd om de Vlaamse ontvoogding gedurende lange tijd het voortouw werd genomen door de “culturele elite”. Ze betreurt dat die elite vandaag de Vlaamse cultuur als leidende cultuur en het recht op zelfbeschikking als provincialistisch en bekrompen beschouwt.

Wat hier opvalt is de koppeling van cultuur aan de politieke bestaansreden van de N-VA: het autonome Vlaanderen. Het wijst op het grote belang dat de partij hecht aan cultuur in functie van de Vlaamse natievorming.

Dat belang wordt ook door Bart De Wever onderstreept wanneer hij stelt dat politieke structuren geënt worden op culturele structuren. Culturele symbolen en rituelen die bijdragen tot het Vlaamse identiteitsgevoel zijn dan ook van onschatbare waarde. Het gaat hierbij om de verbeelding van de Vlaamse identiteit, het tastbaar maken ervan. De historisch correcte achtergrond doet voor De Wever niet terzake, het gaat hem louter en alleen om het gestalte geven aan de samenhorigheid. “Het symbool is vaak belangrijker dan de achterliggende gedachte”, schrijft ook Daphné Dumery.

De N-VA hunkert dan ook naar Vlaamse kunstenaars die omarmen wat zij als Vlaamse traditie beschouwt en dat steeds opnieuw reproduceren. Omdat ze op die manier de nodige zieltjes kunnen winnen voor haar invulling van de Vlaamse identiteit en het politieke project dat daaraan gestalte geeft.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat cultuur in het Antwerpse bestuursakkoord vooral omschreven wordt als bouwsteen voor de gemeenschap. Evenmin verrassend is het nadrukkelijke belang dat gehecht wordt aan de Vlaamse feestdag, die zichtbaar gevierd moet worden als feest van de Vlaamse identiteit.

Hier wordt duidelijk waarom de gedachte dat Pieter de Coninck plaats moet ruimen voor Herman de Coninck door De Wever beantwoord wordt met een furieus “over mijn lijk”. Het voorstel wordt ervaren als een directe boycot van de culturele strijd om Vlaamse zieltjes.

De waarde van kunst

Als de N-VA spreekt over artistieke autonomie, dan is dat niet uit enige liefde voor de kunsten of bekommernis om het artistieke geweten van de kunstenaars. Ze doet dat alleen om het beleid en de cultuursector haar specifieke instrumentalisering op te leggen. De partij goochelt daarom naar believen met allerlei mythes en clichés, draait en keert ze naargelang dat het beste uitkomt. Ze probeert kunstenaars aan te spreken op een romantische verbeelding van het kunstenaarschap: de tegendraadse vrijbuiter, de dwarsligger die zich onvervaard afzet tegen elk gezag. Voor zover dat het Belgische niveau betreft, wel te verstaan. Zodra we op Vlaams niveau belanden, wordt diezelfde voorvechter van de absolute individuele vrijheid plots geacht een dociel lammetje te zijn in een project van vermarkting en separatisme.

En de Vlaamse kunstenaar doet wat hij altijd doet: hij gaat na of hij zich in het spanningsveld tussen hemzelf en de instrumentalisering à la N-VA kan en wil handhaven. Hij voelt op zijn klompen aan wat kunstsocioloog Pascal Gielen bij de start van het theaterfestival 2012 verwoordde: “Het neonationalisme zal actuele kunst altijd bestrijden omdat ze het vermeende fundament van een stabiele Vlaamse cultuur van binnenuit aanvreet.” En tot grote ergernis van de N-VA weigert hij aan te treden, omdat hij weet dat de waarde van kunst in dit verhaal onaanvaardbaar verengd wordt.

Volgt natuurlijk de vraag wat dan die waarde van kunst moge zijn? Tja, heeft u een bibliotheek tijd? Want zoveel ruimte is er nodig om alle gedachten die daarover ooit geschreven zijn bij mekaar te brengen. En wat alle gedachten in deze bibliotheek verbindt, is de conclusie dat er wellicht nooit een sluitend antwoord zal zijn op de vraag wat kunst nu precies is, en dat over het nut en het doel ervan alleen gespeculeerd kan worden. Wetenschappers op alle mogelijke terreinen proberen al een eeuwigheid vergeefs om kunst te ontleden en wetenschappelijk te verklaren.

Het antwoord is waarschijnlijk heel eenvoudig: kunst brengt iets teweeg bij mensen. Het heeft dus iets te maken met beweging, met het openbreken van grenzen. Kunst voegt iets toe aan het leven, het wordt erdoor verruimd, verbreed en verdiept. Of zoals Bertolt Brecht schreef: “Kunsten leveren een bijdrage aan de grootste kunst van alle: levenskunst, de kunst het leven te leven.” Zo simpel, maar ook zo krachtig en waar. En omwille daarvan met geen geweld te beperken tot identiteitspolitiek en “return on investment”.

Advertenties