In een of andere wandelgang kwam mij eens ter ore dat Bart De Wever in de wandelgangen van de VRT gezegd zou hebben: “Als ik ooit Minister van Cultuur wordt, dan heb ik nog wel een eitje te pellen met de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel.”  Hij was toen nog lang niet de politieke pletwals die we vandaag kennen.  Wandelgangverhalen kan je natuurlijk nooit zomaar voor waar nemen. Ze beginnen doorgaans met: “Het schijnt dat…” en moeten dus altijd met enige reserve doorverteld worden.

Dat eitje dat De Wever – naar het schijnt dus – zo graag zou pellen, heeft te maken met het artistiek beleid dat de KVS met Vlaams subsidiegeld in de hoofdstad ontwikkelt. Een beleid dat voor het Vlaams-nationalistisch boegbeeld natuurlijk veel te weinig inzet op de promotie en versterking van de Vlaamse identiteit. Dat de N-VA cultuur als een belangrijk instrument voor identiteitsvorming beschouwt, is genoegzaam bekend.

Op 21 januari 2011 trad op het podium van diezelfde KVS een schare Vlaamse en Franstalige artiesten aan om er hun bezorgdheid en ongenoegen te uiten over het oprukkende Vlaams-nationalisme en het daaraan vastklevende enge identiteitsbegrip en asociale sociaal-economische programma. Olie op het vuur. Het eitje van De Wever werd er alleen maar groter en heter van en betrof nu het geheel van een “belgicistische culturele elite” die de Vlaamse identiteit zou minimaliseren en zelfs ontkennen.

KVS-directeur Jan Goossens was die 21ste januari in zijn openingstoespraak duidelijk: “Als stedelijk platform in het meertalige Brussel en het multiculturele België, zijn wij ons er van bewust dat een open en solidair Vlaanderen onze ‘lifeline’ is. Als Vlaams stadstheater dat vandaag een derde anderstalig publiek heeft, dat al jaren structureel samenwerkt met onder andere het Théatre National de la communauté Française en de krant Le Soir, en dat even goed thuis is in Brussel als in Oostende, Luik, Kinshasa of Ramallah, hopen wij iedere dag dat al onze politici doen waarvoor we ze met enthousiasme hebben verkozen – hun overtuigingen verdedigen, vandaar tot wijze en gezamenlijk gedragen akkoorden komen, en er zo voor zorgen dat ons land een laboratorium voor Europa en de wereld blijft.” Het Vlaams-nationalistisch theewater raakt voor minder aan de kook.

Een meertalig en multicultureel België dat op basis van gezamenlijk gedragen akkoorden functioneert als laboratorium voor Europa en de wereld? Dat is niet bepaald wat De Wever in gedachten heeft. Niet gehinderd door enige terughoudendheid of bescheidenheid verkondigde hij onlangs aan het VTM-journaal: “Wij zullen er alles aan doen om in 2014 op alle niveaus de macht euh…te nemen”. Een verklaring die toch niet direct enige voorkeur voor democratisch overleg laat vermoeden. Hier spreekt het verlangen om ongehinderd en eenzijdig een beleid te dicteren dat zou beantwoorden aan een fictieve “Vlaamse onderstroom”.

De macht aan het werk

De Wever werd geen Minister van Cultuur, wel burgemeester van Antwerpen. De verkiezingsoverwinning van oktober 2012 in de havenstad werd eveneens lang op voorhand met de nodige arrogantie aangekondigd en kreeg ook al snel de allures van een machtsgreep. “ ‘t Stad is van iedereen, maar vanavond toch vooral van ons”, klonk het nog in de overwinningsspeech van De Wever op 14 oktober. Het duurde echter niet lang of ‘t stad was opeens “niét van iedereen”. En ook in de hoedanigheid van Antwerpse burgervader kreeg De Wever het al snel aan de stok met een cultuursector die zich maar niet wil vereenzelvigen met zijn “Vlaamse onderstroom”.

Hoogste tijd dus om die pas gegrepen lokale macht te laten gelden en dat inmiddels roodgloeiend gekookte eitje eindelijk eens te serveren. Met de crisis als excuus de botte bijl in de middelen voor cultuur. “Payback time voor al die subsidie slurpende culturo’s die zich in het verleden vaak zo laatdunkend over de zegeningen van het nationalisme hebben uitgelaten”, merkt Yves Desmet op in zijn editoriaal van 26 juni in De Morgen. Een afrekening dus, die binnen de partij van De Wever op warm applaus onthaald wordt. Kopstuk Siegfried Bracke retweet met niet weinig leedvermaak het volgende berichtje: “Plots blijken die Antwerpse, mondige, internationaal erkende kunstenaars doppers te zijn zonder subsidies.” Jolijt alom.

Hoeveel ruimte er bij deze machtsuitoefening nog bestaat voor een kritische tegenstem, werd meteen duidelijk toen de Antwerpse sociale middenveldorganisaties acties aankondigden tegen de zware besparingen die ook hun sector treffen. Schepen van Sociale Zaken Liesbeth Homans, partijgenote en slagschaduw van De Wever, waarschuwde onmiddellijk dat actie voeren gelijk staat met solliciteren naar nog meer besparingen.

Schepen van Cultuur Philip Heylen (CD&V) illustreerde op zijn beurt dan weer hoe dialoog en overleg in het Antwerpse beleid vorm krijgen. Heylen noemde de commotie rond de besparingen bij cultuur een storm in een glas water. Het zou immers niet om definitieve cijfers gaan. De schepen gaat nog op ronde om met alle betrokken organisaties te overleggen. Bedoeling is om “de plannen opnieuw op elkaar af te stemmen en te luisteren naar nieuwe ideeën”. Er kan dus nog wel een en ander verschuiven.

Opmerkelijk. De besparingen, die aangekondigd werden als noodzakelijk en onvermijdelijk, blijken plots toch nog onderhandelbaar. Slim gespeeld. Op die manier zaait Heylen volop verwarring en onzekerheid, het beste recept om gezamenlijk en georganiseerd verzet tegen te gaan. Zolang niets echt zeker is en er misschien toch nog wat kruimels te rapen valen, wil het wel eens stil blijven op straat.

Maar er is meer. Wanneer schepen Heylen straks op ronde gaat bij de culturele organisaties, dan rekent hij op de nodige “wendbaarheid en begrip” van de sector. Zo verwacht hij van de culturele organisaties bijvoorbeeld dat ze hun schouders zetten onder het cultuurbeleid van de stad. Want één ding moge duidelijk zijn: zomaar een subsidiebedrag toekennen, zonder dat daar iets aan verbonden is, dat is voorgoed verleden tijd. Voor wat hoort wat.

Het doet denken aan de nieuwe schepen van Cultuur in Turnhout, Willy Van Geirt (N-VA). Die is een van de grote bezielers van de Tijlstoet, een driejaarlijks evenement waarin het leven van Tijl Uilenspiegel centraal staat. Van Geirt koppelt de toekenning van subsidies aan culturele verenigingen nu aan een verplichte deelname aan deze stoet. Niet meelopen in de Tijlstoet, geen subsidies.

We kunnen dus wel raden wat er in Antwerpen bedoeld wordt met “wendbaarheid en begrip”. Subsidies zullen afhankelijk gemaakt worden van de bereidheid om een culturele praktijk te ontwikkelen die beantwoord aan de verwachtingen van het bestuur. Een praktijk die het Vlaamse karakter van de stad in de verf zet en bijdraagt tot de commerciële ontplooiing van de stad.

Als de N-VA er dan volgend jaar in slaagt om de stoutmoedige betrachtingen van De Wever waar te maken en op alle niveaus de macht euh…te nemen, dan weten we aan welke machinaties we ons op al die niveaus mogen verwachten.

Een ei met twee dooiers

Dat de N-VA met deze besparingen alleen een culturele sector zou beogen die gewillig mee stapt in haar Vlaams identiteitsverhaal, zou te kortzichtig zijn. De operatie past ook naadloos in het neoliberale verhaal dat op Europees niveau wordt uitgetekend en doorgedrukt naar de lidstaten. In dat verhaal is doodeenvoudig geen plaats voor een gesubsidieerde cultuursector, net zomin als er plaats is voor een gesubsidieerd sociaal middenveld. Beide sectoren moeten drastisch gekortwiekt worden en op termijn zo goed als drooggelegd.

Om de publieke opinie daarvoor warm te maken, wordt op alle niveaus – Europees, nationaal, regionaal en lokaal – een hetze gevoerd tegen kunstenaars die in de gesubsidieerde sector werken. Er wordt een uiterst vilein en karikaturaal beeld opgehangen: kunstenaars zijn werkschuwe profiteurs, bedelaars die op kosten van de hardwerkende burgers met verf staan te kledderen of zich wat aanstellen op een podium. Er is voor dat zootje maar één advies: dat ze een job zoeken en hun kunstjes buiten de uren opvoeren.

Het Europees cultuurbeleid, uitgewerkt onder de titel “Creative Europe”, is volledig gericht op een culturele sector die ten dienste staat van economische ontwikkeling. Kunstenaars worden daarin ondernemers die zich zonder enige overheidssteun op de neoliberale vrije markt begeven en er geheel conform de regels en wetten van die markt overleven…of ten onder gaan. Creatieve industrie, creatief ondernemen, alternatieve financiering, crowdfunding…zijn de richtinggevende nieuwe begrippen. Kunst heeft niets meer te maken met menselijke ontplooiing, maar alles met economische groei, winst en return on investment.

Op lokaal niveau, ook in Antwerpen, vertaalt zich dat in een cultuurbeleid dat zich hoofdzakelijk richt op city-marketing: cultuurbeleid in functie van toerisme, horeca, shopping en internationale uitstraling. En waar het bestuur gedomineerd wordt door de N-VA, wordt daar ook nog eens de promotie van de Vlaamse identiteit aan gekoppeld.

Het ei van De Wever blijkt dus twee dooiers te hebben. Enerzijds rekent het af met een weerbarstige cultuursector, anderzijds draagt het bij tot een commercieel cultuurbeleid zoals het door Europa wordt voorgeschreven.

Het valt dus te hopen dat de Antwerpse cultuurorganisaties hun ongenoegen en verontwaardiging, die er ontegensprekelijk zijn, niet laten bedaren door een al te doorzichtige kruimelpolitiek, maar zich verenigen in een sterk front dat, met een duidelijke visie op wat cultuurbeleid vandaag moet zijn, de afbraakstrategieën op alle niveaus onverzettelijk contesteert.

 

 

Advertenties