Ik wil hier graag beginnen met iets te vertellen over mijn vriendin. Niet om allerlei privé-weetjes te grabbel te gooien, maar omdat ik denk dat het ter zake doet.

Toen ik Caroline leerde kennen, werkte ze bij de Post. Ooit heeft ze nog het nobele en o zo ondergewaardeerde beroep van postbode uitgeoefend. Maar toen ik op een Mechels terras tegen haar aanwaaide, sleet ze haar uren aan de telefoon op de klantendienst van de Post in Brussel.

Korte tijd later besloot ze om nieuwe wegen te verkennen. Ze trok drie jaar lang naar het volwassenenonderwijs om een diploma opvoedster te behalen. In diezelfde tijd bouwden we ons leven samen op en werden we de ouders van onze allerliefste zoon. Niet evident dus. En dan zwijg ik nog over al het gedoe met de VDAB, waar mensen die zich heroriënteren en omscholen toch niet zo enthousiast omarmd worden als men zou verwachten.

Nadat ze haar diploma behaald had, begon Caroline te werken in een voorziening voor mensen met een beperking. Tijdens haar opleiding had ze daar ook stage gelopen. Ze werkt er nog altijd. Het is een relatief kleine instelling, die ooit begon vanuit de gedachte dat de bewoners er een aangenaam leven moesten kunnen leiden in een huiselijke sfeer.

Het concept beviel Caroline uitstekend. Maar helaas mocht het enthousiasme niet lang duren. De werkomstandigheden gaan zienderogen achteruit. De ondertussen klassieke riedel: minder personeel, minder middelen, minder uren, gepuzzel met contracten, toenemende werkdruk. Oudere werknemers worden wegens niet flexibel genoeg een na een buiten gewerkt, het ziekteverzuim neemt toe, de collegialiteit slinkt, iedereen loopt er kregelig en vermoeid bij. Steeds meer personeelsleden verliezen hun motivatie, kloppen routineus de verplichte uren en doven langzaam uit.

Wat minder genieten

Ik vertel hier iets over de werksituatie van mijn vriendin omdat het wellicht voor heel veel mensen herkenbaar is en illustreert hoe stress en burn-out om zich heen grijpen en stilaan een ware ravage aanrichten op de arbeidsmarkt.

Psychoanalyticus Paul Verhaeghe noemt stress dé ziekte van de 21ste eeuw. Hij doet er bovendien geen doekjes rond waar de oorzaak van die ziekte gezocht moet worden. Het komt allemaal voort uit de neoliberale organisatie van onze arbeidsmarkt, waarin mensen steeds meer worden behandeld als een grondstof die aan een rotvaart wordt uitgeput. Verhaeghe heeft zijn analyse de jongste jaren in heel wat publicaties, lezingen en interviews grondig uiteen gezet.

Maar zijn visie botst op nogal wat weerstand. Uit welke richting die komt opzetten, laat zich makkelijk raden. Zo schreef Jan Denys, arbeidsmarktspecialist bij uitzendbureau Randstad, dat Verhaeghe een cultuurpessimist is. Hij zou veel te graag negatieve verhalen vertellen, omdat die beter verkopen dan positieve.

Volgens Stijn Decock, hoofdeconoom bij de werkgeversorganisatie Voka, is het zwaar overdreven om de arbeidsmarkt verantwoordelijk te stellen voor de toenemende problemen met stress. Hij ziet heel andere oorzaken: “de toename van het aantal echtscheidingen, nieuwe online technologie die een nieuw soort stress veroorzaakt, het wegvallen van bepaalde waarden, tijdsdruk die combinatie van werk, gezin, hobby’s moeilijk maakt, de loonwig die maakt dat werknemers tweederde van het loon afstaan aan de staat, hedonisme, files…” Stress wordt dus niet zozeer veroorzaakt door werkomstandigheden, maar door een ontregeld privé-leven. Als we nu gewoon eens bij onze huwelijkspartners zouden blijven, wat minder zouden surfen op het net, niet zoveel tijd zouden besteden aan hobby’s, een stuk minder zouden genieten en wat meer aandacht zouden schenken aan vaste waarden, dan zou het al een pak beter gaan.

Decock is niet de enige die er zo over denkt. Uit een recent onderzoek van Trendhuis blijkt dat deze visie in werkgeverskringen erg populair is. Werkgevers raden werknemers dan ook aan om hun sociaal leven te matigen en buiten de werkuren niet te veel activiteiten te plannen. Op die manier moet vermeden worden dat het werk al te stresserend wordt.

En begin deze week reageerde ook de ondernemersorganisatie NSZ geïrriteerd op de resultaten van een ABVV-enquête waaruit blijkt dat 74% van de werknemers zegt de huidige werkdruk niet vol te kunnen houden. In De Morgen zegt Christine Mattheeuws, voorzitter van NSZ: “Steeds meer mensen proppen hun privé-agenda vol om toch maar niets te missen.” Ze vindt het dan ook overdreven om de werkgeverszijde verantwoordelijk te houden voor toenemende stress. Meer mensen aanwerven om de werkdruk te verlichten, is voor Mattheeuws geen optie: “Zolang de loonlasten zo hoog blijven in België en de werknemers om de haverklap komen aandraven met psychosociale problemen, zullen zelfstandigen altijd maar minder aanwerven.”

Niet te veel zeuren

Dat dergelijke redeneringen ons vanuit werkgeverskringen worden voorgeschoteld, hoeft niet te verbazen. Maar helaas horen we ook instemmende geluiden uit een heel andere hoek.

In een opiniestuk in De Morgen van 29 maart schrijft Vlaams minister van Werk Monica Deconinck (Sp.a) dat culpabiliseren nergens toe leidt. “De schuld bij iemand anders leggen, is gemakkelijk maar lost niets op.” Volgens de minister treft noch de werknemer noch de werkgever eenzijdige schuld. “Overmatige stress die tot burn-out leidt, is een sluipend gif dat binnen sijpelt langs de wegen van de werk- en privé-situatie.”

Voor mevrouw De Coninck gaat het dus om een gedeelde verantwoordelijkheid. Dat lijkt natuurlijk erg evenwichtig en neutraal, open voor beide partijen en gericht op het vinden van oplossingen die ergens in het midden liggen. Maar toch is het standpunt van de minister problematisch.

Het begint al bij die vermeende gedeelde verantwoordelijkheid. Die veronderstelt namelijk dat beide partijen op gelijke voet staan, dat ze evenveel in de pap te brokken hebben. En die veronderstelling is niet bepaald houdbaar. Langer werken, flexibel zijn, onregelmatige uurroosters, interimwerk, part-time werk, proefperiodes, werkonzekerheid, loonstop, eenzijdige opzegging van arbeidsovereenkomsten, herstructurering, collectief ontslag, sluiting, dagvaarding van actievoerders, onderaanneming, verzwakking van de vakbonden, indexsprongen, … Het lijstje kan wellicht nog aangevuld worden, maar het gaat hier duidelijk om allerlei voorwaarden en omstandigheden die in geen enkel opzicht door de werknemer worden bepaald en waartegen hij ook weinig verweer heeft. Suggereren dat het hier gaat om een conflictsituatie waarin de verschillende partijen gelijk zijn, is dus niet bepaald eerlijk.

En het wordt er niet beter op. Want in hetzelfde opiniestuk schrijft De Coninck met betrekking tot de oorzaken van stress en burn-out ook het volgende: “In het weekend moet het huishouden gedaan worden, gekookt voor de vrienden, fietstochtjes gemaakt met de maten en de laatste dvd-reeks bekeken.” Het lijkt toch verdacht veel op het werkgeversliedje. Waarna de minister besluit: “Het is eenieders verantwoordelijkheid om daar verstandig en oplossingsgericht mee om te gaan.”

Eerder liet minister De Coninck in de Morgen ook dit optekenen: “De 21ste eeuw stelt hoge eisen. We willen alles tegelijk: én een succescarrière, én een uitgebalanceerd familieleven, én veel vrienden, én tijd voor hobby’s. Daar hebben we als beleidsmakers weinig vat op.” Met andere woorden: iedereen is zélf verantwoordelijk, iedereen moet zélf een oplossing zoeken, niemand mag iemand anders met de vinger wijzen én…de overheid kan hier absoluut niets aan doen.

En dus ligt de markt open voor allerlei slag kwakzalvers die ons met boeken, lezingen, groepssessies, therapieën, zelfhulpgroepen en teambuilding-sessies wijsmaken hoe we stress moeten zien als een positieve kracht die ons vooruit helpt. Als we maar leren om niet zo veel te zeuren.

Zoals de ongeëvenaarde Kelly McGonagal, een gezondheidspsychologe die voor volle zalen verkondigt dat stress geen vijand is maar een bondgenoot. Stress verbetert namelijk je prestaties en maakt je zelfs sociaal. McGonagal vertelt in haar one woman shows dat mensen die heel veel stress te verduren hebben, 43 % meer kans maken om te sterven. Maar geen paniek. Want dat geldt alleen voor mensen die denken dat stress slecht is voor de gezondheid. Wie niet gelooft dat stress gezondheidsproblemen oplevert, zou daarentegen helemaal geen verhoogd risico op overlijden lopen. Het zit dus allemaal tussen onze oren. U moet McGonagal zeker eens opsnorren via Youtube. Erg onderhoudend.

Werken om te leven

Het werkgeversverhaal hierboven – dat helaas door een linkse minister van Werk in grote mate wordt bijgetreden – gaat volledig voorbij aan de realiteit van de hedendaagse arbeidsmarkt. Een arbeidsmarkt die niet weinig problematisch is.

Om te beginnen is er een schrijnend tekort aan jobs. Het klassieke liedje “Wie wil werken, heeft werk” is onhoudbaar. Er zijn veel meer werkzoekenden dan vacatures. Vervolgens is er ook een groot probleem met de kwaliteit van veel jobs die wel beschikbaar zijn. De werknemer dient zich steeds meer te onderwerpen aan de regels van de flexicurity en moet zich neerleggen bij om het even welke arbeidsvoorwaarden.

In hun voortreffelijke boekje “De 360˚ werknemer” wijzen Jan Blommaert, Paul Mutsaers en Hans Siebers op nog een andere kwalijke evolutie. Leven we om te werken of werken we om te leven? Binnen het concept van de welvaartsstaat was de laatste optie voor iedereen het evidente antwoord. Werk moest ons de nodige middelen verschaffen om een aangenaam leven te kunnen leiden, om mensen de mogelijkheid te bieden zich in hun vrije tijd op alle mogelijke manieren te ontplooien. En dat werk moest bij voorkeur ook aangenaam en verheffend zijn. Maar nu de welvaartsstaat steeds meer op de schop komt te zitten, worden we geacht ons hele leven ten dienste te stellen van ons werk, in naam van de concurrentie en de economische groei. Langer werken, harder werken, steeds meer voor minder. De eigen, vrije tijd moet meer en meer opgeofferd worden. De veelvuldige kritieken op het “te drukke” sociale leven van werknemers sluiten daar naadloos bij aan.

Ik keer nog even terug naar mijn vriendin. Zeer regelmatig schuimt ze het internet af op zoek naar vacatures in de zorgsector. Op zoek naar beter werk. Dichter bij huis, met regelmatiger uren en een beter contract. Die zoektocht eindigt altijd hetzelfde: laat maar, het heeft geen zin. Overal hetzelfde: tijdelijk, interim, onregelmatig en onzeker. En dus blijft ze maar waar ze is en doet wat ze kan. Ondertussen heeft de directie maar één boodschap: dit is de realiteit, aanvaard het en pas je aan. Daar raakt een mens gefrustreerd, ontgoocheld en moedeloos van. Wat ze in haar vrije tijd wel of niet doet, verandert daar hoegenaamd niets aan.

Willen we gezonde werknemers, dan moet er volop geïnvesteerd worden in een gezonde arbeidsmarkt. Dat betekent in de eerste plaats het creëren van vaste, zekere jobs met een goed loon. Daar ligt voor de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid. Zij heeft de mogelijkheid om zo’n jobs ruimschoots aan te bieden in openbare diensten, onderwijs en zorgsector. Het is niet toevallig dat er vandaag meer dan ooit gesolliciteerd wordt voor jobs bij de overheid. Mensen zijn op zoek naar werkzekerheid en voelen duidelijk aan dat ze die niet kunnen vinden op de zo geprezen vrije markt. De onzichtbare hand creëert geen jobs, ze vernietigt ze met duizenden tegelijk.

Daarnaast is er een ommekeer nodig in de visie op werk. Werknemers moeten opnieuw ten volle gewaardeerd en gerespecteerd worden als mensen. Ze moeten de mogelijkheid krijgen voldoening te vinden in hun werk en het recht behouden om buiten dat werk een rijk en bevredigend leven te leiden. Terug naar werken om te leven dus.

(Dit artikel is geschreven in het kader van de federale verkiezingen van 2014)

Advertenties