(toespraak van 15 maart 2015 voor Hart boven Hard Klein-Brabant)

Goedenavond,

ik wil het hier vanavond, binnen de mij toegemeten tijd, hebben over het thema rijkdom. Daarmee kunnen we uiteraard heel veel kanten uit. Maar omdat ik iemand ben die tot de culturele sector behoort, zal ik die culturele sector ook als kader nemen.

Een tijd geleden liet Gert Verhulst, CEO van Studio 100, zijn licht schijnen op de idee van een vermogensbelasting. Hij zei daarover dit: “Een ondernemer draagt af en investeert, ook in de wetenschap dat als hij later ooit aandelen verkoopt, hij niet belast zal worden op de meerwaarde. Dat zijn de wettelijke regels van het spel. Je kunt niet zeggen: we verwachten van u dat u veel betaalt, dat u mensen aan het werk zet, uw nek uitsteekt, maar alles wat u verdient, pakken we daarna af. Ik schets nu een karikatuur, maar ja, dat is iets waar ik bang voor ben. Je moet mensen het recht geven om rijk te worden. Dat is de motor van de economie. Geef mensen die willen ondernemen en risico’s nemen de kans om rijk te worden. Laten we daar niet vies van zijn.”

U weet het misschien niet, maar ooit koesterde Verhulst nog de ambitie om acteur te worden. Hij trok daarom naar de toneelschool van Dora Van Der Groen om er zijn kans te wagen. Maar Dora zag niet meteen het verhoopte talent en stuurde hem wandelen. Was het toen anders gelopen, dan stond Gertje nu misschien hier, om het op te nemen voor een bloedende cultuursector. Een sector die met de dag meer en meer wordt afgeschilderd als overbodige luxe. Een sector die bevolkt zou worden met wereldvreemde en vooral luie lieden, die voortdurend bedelen om gratis geld. U weet wel: subsidie. Of zoals Roland Duchatelet, de CEO die in voetbalclubs handelt, het vorige week nog stelde: “geld waarvan iedereen weet dat het nergens toe dient.”

De droom van een acteurscarrière moest hij dan wel achter zich laten, maar Verhulst bleef geenszins bij de pakken zitten. Creatief en ondernemend als hij was, zocht en vond hij zijn eigen weg. Als die overdadig gesubsidieerde wereld van het toneel hem niet moest, dan werd hij maar omroeper bij de televisie. Met zijn toen nog erg jeugdige voorkomen werd hij geknipt bevonden om de kinderprogramma’s aan te kondigen. En daar viel hem het lumineuze idee te binnen om die opdracht te vervullen met de assistentie van het pluchen knuffelhondje dat luistert naar de naam Samson. De rest is geschiedenis. Met dank dus aan Dora Van Der Groen.

Voor zijn verlichtende beschouwing over een vermogensbelasting kreeg Verhulst luid applaus van op de ondernemersbanken. Jo Libeer, gedelegeerd bestuurder van VOKA, liet meteen in de krant optekenen dat de culturele sector maar eens een voorbeeld zou moeten nemen aan Verhulst.

Het hoeft niet te verbazen. Libeer is immers ook zo iemand die alleen al bij de gedachte aan subsidie jeuk en puisten krijgt. Tenminste, als het over cultuursubsidies gaat. Sloten geld om banken en noodlijdende industrieën bij te staan, daar heeft hij het helemaal niet zo moeilijk mee. Libeer is ook zo iemand die vindt dat het maar eens gedaan moet zijn met die belegen artistiekerige fabel die zegt dat kunst en markt niet samengaan, dat kwaliteit en commercialiteit een onmogelijk huwelijk vormen. Onzin, zegt Libeer, want kijk maar eens naar al die succes- en tegelijkertijd kwaliteitsvolle topseries van de Amerikaanse zender HBO. Of wat denk je van VTM, dat zonder subsidies wel eens programma’s maakt die beter zijn dan die van de VRT. En dan natuurlijk Studio 100, dat volgens Libeer een toonbeeld is van het harmonieus samengaan van kwaliteit en verkoopbaarheid. Jo Libeer is zo iemand die gelooft dat kwaliteit zichzelf verkoopt en dat wat niet verkoopt dan wel niet goed zal zijn en maar beter kan verdwijnen.

Maar behalve dat de culturele sector zijn hang naar overheidsgeld nu maar eens moet loslaten, heeft Libeer nog een andere boodschap voor het artistieke volkje, zij het dan wat minder uitgesproken. Hij vertelt ons eigenlijk dat we de verkeerde ambitie hebben. Cultuurmensen hebben het voortdurend over dingen als menselijke ontplooiing, het prikkelen van de fantasie, de verbeelding van nieuwe mogelijkheden en andere werelden, over de schoonheid, de liefde en de troost. Maar wat koop je daar mee? Niets. Nee, zegt Jo Libeer, goed gevulde bankrekeningen, dat moet onze betrachting zijn.

Dus, beste acteurs, schrijvers, schilders, beeldhouwers, muzikanten: ga en wees ondernemend. Creëer een gat in de markt, giet het boordevol met uw sprankelende creativiteit en in geen tijd zal u het goud er in grote hoeveelheden uit kunnen scheppen. Zoek het fortuin, ga voor het grote geld en wees daar, zoals Gert Verhulst het u zegt, niet vies van.

Rijk worden. Persoonlijk fortuin vergaren. Voor mensen als Gert Verhulst en Jo Libeer is dat waar het in dit leven allemaal om gaat. Money makes the world go around. De Franse filosoof Pascal Bruckner schreef er ooit een boek over: “Gij zult rijk worden!” Want inderdaad, het streven naar onmetelijke rijkdom wordt ons van kindsbeen af als een gebod in het hoofd geprent. Rijkdom is het hoogst mogelijke levensdoel. Alleen wie erin slaagt een plekje te veroveren bij het selecte clubje van superrijken, die heeft het écht gemaakt in het leven. En wie het gemaakt heeft, verdient ons aller diepste respect en bewondering. Rijke mensen dien je dus ook met rust te laten. Je stelt hun handel en wandel niet in vraag. En je gaat hen zeker en vast niet de stuipen op het lijf jagen met gruwelijke ideeën zoals een vermogensbelasting.

We moeten dus een voorbeeld nemen aan Gert Verhulst, die ons allemaal heeft wijsgemaakt dat onze kinderen diep ongelukkig zullen worden als hun boekentassen, brooddozen, pennenzakken, potloden, schriften, jassen, t-shirts, schoenen, sokken, mutsen, handschoenen, beddengoed en behangpapier niet bedrukt zijn met Bumba, Plop, Samson of K3. Of we moeten een voorbeeld nemen aan Bart Verhaeghe, de man die al jaren probeert om ons het consumptiepretpark Uplace door de strot te duwen. Is het u al overkomen dat u ’s ochtends opstaat, uit het raam kijkt en denkt: wat zou het toch fijn zijn mochten we zoiets als Uplace hebben. Mij niet. En toch komt Verhaeghe op de televisie verkondigen dat Uplace iets is wat de mensen willen en dat het er dus ook absoluut moet komen. Als hij zijn zin krijgt, zal Uplace in 2018 de deuren openen. En ongetwijfeld zal hij tegen die tijd het grote publiek met alle mogelijke recepten van de marketing ervan overtuigd hebben dat ze Uplace inderdaad willen. Zo moeten we allemaal medewerkers worden van de pretparken van het nutteloze en het overbodige, enkel en alleen opdat de lucky few zich kunnen wentelen in hun bodemloze fortuinen.

Niet alleen wordt het streven naar persoonlijk fortuin ons als een plicht opgelegd, er wordt ons ook voortdurend voorgehouden dat dit streven ons door de menselijke natuur wordt ingegeven. Niets is minder waar. De zucht naar uitzinnige weelde – of zullen we maar beter spreken over hebzucht – is een cultureel gegeven.

Dat komt heel mooi tot uiting in de roman “Oogst” van de Britse schrijver Jim Crace. Ik kan u dat boek zeer warm aanbevelen. Het verhaal speelt zich af in een 17de eeuws landelijk dorp, waar de gronden voor landbouw en veeteelt gemeenschappelijk bezit zijn. De inwoners van het dorp beheren en bewerken deze gronden samen, de opbrengsten zijn voor de gemeenschap. Maar deze gemeenschap wordt op korte tijd volledig verstoort. Om te beginnen komen twee vreemde mannen en een vrouw zich vestigen aan de rand van het dorp. Op dat zelfde moment breekt er brand uit in een schuur. Voor de dorpelingen is de zaak snel duidelijk: de vreemdelingen zijn schuldig. Vanaf dan is de hele gemeenschap volledig in de ban van deze kwestie. Dan komt er plots een landheer opduiken, die beslag legt op alle gronden. Hij wil ze allemaal omheinen en er schapen kweken, wat hem heel wat geld zal opleveren. Hij maakt handig gebruik van dat hele zaakje met die vreemdelingen om zijn plannen haast ongemerkt door te duwen.

In dit fragmentje gaat het over die landheer: “Hij heeft het over Winst, Vooruitgang en Ondernemingszin alsof het zijn persoonlijke muzen zijn. In ons dorp was ‘genoeg’ altijd de leidraad, maar hij stelt zich ten doel er een gemeenschap van te maken waar ‘meer’ de leidraad is, wanneer hij al het land eenmaal heeft omheind en omhaagd en alles – onze akkers, de meent en de ‘nutteloze bossen’ – heeft veranderd in ‘schitterend schapengebied’.”

De roman “Oogst” laat heel goed zien hoe de privatisering van het gemeenschappelijke een gemeenschap in geen tijd ondermijnt en uit mekaar drijft. Hij toont ook aan dat het hierbij gaat om een cultuuromslag, een doelbewuste overgang van een cultuur van het “genoeg” naar een cultuur van het “meer”.

Dat betekent dat een omgekeerde omslag eveneens mogelijk is. En dat is volgens mij de grote uitdaging waar we vandaag misschien meer dan ooit voorstaan. Het is een van de belangrijkste politieke en maatschappelijke opdrachten om te werken aan een cultuuromslag. Van de desastreuze cultuur van het “meer” moeten we vooruit naar een nieuwe cultuur van het “genoeg”. Ik zeg wel degelijk vooruit, want in rechtse kringen wordt een cultuur van het “genoeg” steevast afgeschilderd als ouderwets, tegen de vooruitgang, dodelijk voor creativiteit en innovatie. Niets is minder waar. De cultuur van het “genoeg” is de meest progressieve gedachte die je vandaag kan verdedigen.

De culturele sector speelt hierin een belangrijke rol. Kunstenaars hebben heel wat troeven in handen om de weg te tonen naar een nieuwe cultuuromslag. Dat moet volgens mij ook hun ambitie zijn, niets anders. De weg bereiden naar een cultuur van genoeg voor iedereen. Een cultuur waar zeker en vast plaats is voor rijkdom, voor heel veel rijkdom zelfs. Maar die rijkdom zal dan wel iedereen toebehoren. Tegenover het “geef mensen de kans om rijk te worden” van Gert Verhulst, zeg ik: geef mensen het recht om collectief rijk te zijn. Laten we vooral dààr niet vies van zijn.

Tot slot nog dit. Een paar dagen geleden kreeg ik een mail van de VDAB, om mij een vacature voor te stellen. Of ik misschien geïnteresseerd ben om “figurenspeler” te worden? Nog nooit van gehoord, maar het klinkt mooi. Zou het een nieuwe, beetje naïeve benaming zijn voor een acteur? Tenslotte is dat toch zo’n beetje wat acteurs doen, figuren spelen. Vol verwachting klik ik dus door naar de vacature.

Het blijkt te gaan om een job bij Plopsa Indoor in Hasselt. Men zoekt daar een “polyvalente, enthousiaste figurenspeler, bij voorkeur met dans- of theaterervaring”. Om wat te doen? Om verkleed als Bumba bij de ingang van het pretpark naar de kindjes te wuiven en hen welkom te heten. Kijk eens aan, er is nog een toekomst voor acteurs die wél toegelaten werden tot de school van Dora Van Der Groen. Misschien is dit wel wat de verantwoordelijken voor het cultuurbeleid bedoelen met die “creatieve industrie”, dat samenwerken tussen kunstenaars en ondernemers, waarbij iedereen er aanzienlijk op vooruit zou moeten gaan. Want let wel, het gaat hier om een job “in een groeibedrijf met informele, open werksfeer tussen gemotiveerde collega’s”. En dat ook nog eens voor een “competitief salaris met extralegale voordelen”. Wie weet schop ik het ooit nog tot kabouter of burgemeester in de Samson-show.

Nee, ik denk niet dat ik voor dit buitenkansje ga solliciteren. De rol van Bumba laat ik toch maar liever aan mij voorbijgaan. Er staat al genoeg nonsens op mijn cv. Ik heb een dochter van twee jaar en half. Niet zonder trots mag ik zeggen dat ze al lang goed en mooi kan praten. Iets wat dat stukje clown na zoveel jaar nog altijd niet kan. “Nani nani”, dat is zowat het meest intelligente wat we uit de mond van dat gele mormel mogen vernemen. En ja, mijn dochter heeft een Bumba-knuffel en regelmatig kijkt ze gefascineerd naar de capriolen van dat infantiele allegaartje in de circustent. Maar meer dan dat ga ik niet bijdragen aan het fortuin van Gert Verhulst. Ik kruip niet in een Bumba-pak om de kindertjes binnen te lokken in zijn pretpark. Omdat ik het nog altijd grondig eens ben met dit citaat van Francine Mestrum: “Armoede is materieel tekort, rijkdom is een tekort aan beschaving.”

Advertenties