642x999_7656631

Morgen gaat het op de post. Mijn geschenk voor Theo Francken, staatssecretaris voor Asiel en Migratie. Ik moet toegeven dat het niet bepaald rijkelijk oogt. Het is niet meer dan een grote bruine envelop met tweeëntwintig kopieën en een begeleidend briefje erin. U begrijpt, het gaat niet zozeer om de materiële of geldelijke waarde, maar om wat de staatssecretaris, mits enige welwillendheid, op die luttele bladzijden kan lezen. Hij mag het beschouwen als een helpende hand, iets waar zijn partij dezer dagen toch nogal tuk op is. Een helfie dus.

Ik stuur Theo Francken een kopie van een toneeltekst. Eentje uit de hele oude doos. “De Smekelingen”, zo luidt de titel, is namelijk van de hand van de Griekse toneeldichter Aeschylos. De tekst dateert waarschijnlijk van het jaar 463 voor Christus.

Het stuk opent wanneer een koor van vijftig dochters van Danaüs, in Egyptische kledij, voor de poorten van de Griekse stad Argos staat. De koorleidster spreekt als volgt:

Zeus, die de smeeklingen hoedt, zie goedgunstig
onze vluchtende schaar, die in zee stak
aan het zandige deltagebied
van de Nijl. Wij ontkwamen
uit ’t heilige Zeusland, dat Syrië begrenst,
niet door rechtspraak aldaar van het volk
om bloedschuld verjaagd in verbanning,
maar uit afschuw voor mannen uit ’t eigenste bloed
verfoeien wij de echt met Aegyptus’ zonen
en hun goddeloos begeren.
’t Was vader Danaüs, die ons raadde
en aandreef tot opstand. Hij stelde, na wijs overleg,
als eervolste keuze in de nood:
overhaastige vlucht door de golvende zee
met landing in Argos, vanwaar ons geslacht
zich beroemt eens ontsproten
te zijn door de adem van Zeus
en de streling deer horzelgejaagde koe.
Hadden wij ooit in goedwilliger land
kunnen komen dan dit, met in ons handen
de wolomwonden takken der smeeklingen?
Moge de stad met haar grond en heldere wateren,
de goden daarboven en die onder de aarde
als goden der wraak hun graven bezetten,
ten slotte de reddende Zeus, die de huizen
hoedt van de vromen, ontvangen
in ’s lands adem vol deernis
de smeeklingen-schare der vrouwen.

Het is het begin van een fascinerende tragedie over een vluchtelingencrisis en hoe de autoriteiten in de oud-Griekse stadstaat Argos die beantwoorden. Het zou Theo Francken dus wel eens kunnen interesseren. Mogelijk zou het hem zelfs kunnen inspireren, maar dat laatste is erg voorwaardelijk.

Ik schets even het verloop van Aeschylos’ tragedie. Er staat dus een groep van vijftig dochters van Danaüs (neem dat niet al te letterlijk) voor de poorten van de stad Argos. In hun thuisland, grenzend aan Syrië, hebben ze het ruime sop van de Middellandse Zee gekozen om koers te zetten naar Griekenland. Niet voor een plezierreisje, maar noodgedwongen. De zonen van Aegyptus willen de vrouwen immers tot een huwelijk dwingen. Om dat noodlot te ontlopen, hebben de vrouwen gekozen voor een haastige vlucht over de onstuimige golven. Does it ring a bell?

Pelasgus, koning van Argos, treedt de smekelingen tegemoet en wil van hen weten wat hen naar Griekse bodem brengt. Nadat ze hem duidelijk hebben gemaakt wat hen tot hun reis bewogen heeft, besluit Pelasgus een volksraadpleging te houden. Het volk zal beslissen of de groep vluchtelingen in Argos al dan niet een veilig onderkomen zal vinden.

Danaüs, vader van de onfortuinlijke vijftig vrouwen (neem dat alsjeblief niet al te letterlijk), kan zijn dochters het volgende resultaat melden:

‘t Besluit viel bij de Argeiërs zonder weifelen,
zo dat mijn oude geest zich heeft verjongd gevoeld.
Het luchtruim trilde, toen eenstemmig ‘t volk zijn hand
omhoogstak om dit voorstel te bekrachtigen:
‘dat wij als vrijen zouden wonen in dit land
en onaantastbaar zijn, onschendbaar voor elkeen.
Geen landbewoner of geen vreemdeling mag ons
wegvoeren, en, zo iemand ooit geweld gebruikt,
dan wordt, wie van de burgers niet ter hulpe komt,
eerloos verklaard, door ‘t volk gebannen uit dit land!’
Dat was de rede, die te onzen gunste hield
de vorst Pelasgus, manend dat de stad voortaan
nooit meer de zware toorn opwekken zou van Zeus
die ‘t gastrecht hoedt; tweevoudig, zei hij, was de vloek
(op gast en landsvolk), die zou komen op de stad,
als beest dat nooit van lijden zou verzadigd zijn.
Dit horend, en nog voor de oproep van de heraut,
stak Argos’ volk de handen op: zo zou het zijn!

Aeschylos schreef met “De Smekelingen” geen fantasie over een idyllisch vluchtelingenparadijs. De koning van Argos worstelt immers met bekommernissen en overwegingen die uitermate actueel voorkomen. Wanneer hij de groep vrouwen voor het eerst ontmoet, stelt hij:

Ik zie, beschaduwd onder takken vers geplukt
een vreemde schare voor de goden van mijn stad.
Als maar de zaak van vreemde burgers ons geen leed
bezorgt, zodat er onverhoopt en onvoorziens
nog strijd uit voortkomt: daaraan heeft de stad geen nood.

En ook de mogelijke consequenties voor zijn eigen positie laten de koning niet onberoerd. Tot vader Danaüs zegt hij:

Gij die de grijze vader dezer meisjes zijt,
neem vlug die takken in uw armen, en leg die
op andere altaren van landsgoden neer,
opdat de burgers allen van uw aankomst hier
‘t bewijs zien, en geen woord van smaad geslingerd wordt
naar mij. Want graag wijt ‘t volk aan de oversten de schuld.

Het is dus zeker niet zo dat de onderdanen van Pelasgus geen argwaan kennen ten aanzien van vreemdelingen. En het is ook niet zo dat de koning zijn eigen machtspositie niet bedreigd weet door de komst van een groep bootvluchtelingen. Maar het vooruitzicht van mogelijke maatschappelijke onrust en verlies aan autoriteit weerhouden Pelasgus niet om de enige rechtvaardige keuze te maken:

Ik ga en roep de volksvergadering bijeen
om hen te stemmen tot welwillendheid voor u.

En het volk besluit ook om de smekelingen die welwillendheid te gunnen, zodat de koning hen kan zeggen:

Gij allen met de dienaressen, uw gevolg,
vat moed, begeeft u naar de goed omheinde stad
die in haar hoge vestingwerk besloten ligt.
Veel huizen zijn daar, die behoren aan de staat.
Voor mijn behuizing werd met milde hand gezorgd.
Daar kunt gij vrij in klaargemaakte woningen
met veel andren wonen, of, zo gij ‘t verkiest,
kunt gij een éénpersonenhuis betrekken ook.
Wat daarvan ‘t beste en het wenselijkste lijkt
staat te uwen dienste. Kiest. Beschermheer ben ik zelf
met al de burgers, – van wie de beslissing hier
wordt uitgevoerd.

Het verschil tussen de koning van Argos en onze staatssecretaris Theo Francken kan niet groter zijn. Pelasgus trotseert de waan van de dag en treedt zijn volk tegemoet met een pleidooi ten gunste van wie op de vlucht is en beschutting zoekt in zijn stad. Francken daarentegen cultiveert alleen maar de heersende waan dat vluchtelingen onze welvarende westerse samenleving komen ondermijnen en bijgevolg met alle mogelijke middelen van onze Europese kusten moeten worden geweerd.

Volgens Francken leiden reddingsoperaties op zee alleen maar tot meer vluchtelingen. Dat moeten we dus zeker niet doen. Het probleem is in essentie een probleem van mensensmokkelaars, weet de staatssecretaris. Alles is dan ook opgelost als we die smokkelaars uitschakelen. Daarom wil Francken vooral inzetten op het vernietigen van boten. En dat liefst in Lybië. Want het vernietigen van boten na aankomst in Europa heeft volgens hem geen zin, want dan zijn ze er immers al. Het optrekken van de budgetten voor ontwikkelingshulp is ook geen optie, zegt Francken. Ontwikkelingshulp vindt hij maar relatief. Meer hulp is volgens hem geen garantie op minder vluchtelingen. Hij ziet alleen heil in een krachtdadig terugkeerbeleid en het opzetten van een stabiel regime in Lybië. Dat regime moet er dan maar voor zorgen dat er geen mensen meer kunnen vertrekken. En ja, ondertussen wil de heer Francken wel een tikkeltje meer doen voor de duizenden vluchtelingen die dagelijks in gammele vaartuigen de oversteek naar Europa wagen. Hij wil zowaar tweehonderdvijftig opgeviste drenkelingen een plekje geven in ons land. Op voorwaarde natuurlijk dat daarover Europese afspraken worden gemaakt. Bovendien wil hij ook niet dat asielzoekers evenredig verdeeld worden over de Europese landen. Nee, Italië moet de overvloedige toestroom zelf maar bolwerken.

“Nooit meer Lampedusa!”, riepen de Europese leiders een paar jaar geleden eensgezind ontzet. Nooit willen we in Zuid-Europese kustwateren nog de lijken zien drijven van mannen, vrouwen en kinderen die hun odyssee over de Middellandse Zee met de verdrinkingsdood bekochten. Nooit willen we die gezwollen, in lompen gehulde kadavers nog zien aanspoelen op onze stranden, waar onze badgasten aan hun kleurtje werken, in het zand spelen en in de golven plonsen.

En toen bedachten ze maar dat het beter was om overboord gesukkelde waaghalzen niet langer te hulp te snellen. Vanwege het aanzuigeffect. Want wie een helpende hand in het woelige zeewater steekt, weet dat er voor elke vinger ergens wel iemand aan boord van een overvolle, tot zinken gedoemde schuit wordt geduwd. Het vooruitzicht van een zeer waarschijnlijk einde op de zeebodem, dat zou menig gelukzoeker wel op andere gedachten brengen.

En toen lag de zee plots opnieuw bezaaid met dode mensen. Niemand kon nog zeggen hoeveel wanhopige zielen ze nu al had opgeslokt. Zelfs de minste hoop bleek sterker dan de angst voor het zeemansgraf. De Europese leiders zaten met de handen in het haar. Ze wisten niet meer wat gedaan. “We hebben onszelf niets te verwijten”, zei de een. “We kunnen ze toch niet allemaal opvangen, we doen al wat we kunnen. Moeten we misschien tussen Afrika en Europa een veerpont installeren?” “Ze hadden maar niet zoveel risico’s moeten nemen”, zei een tweede. “Als ze de zee over willen zonder zwembrevet, dan moeten ze het zelf maar weten.”

Theo Francken sluit zich volledig aan bij deze logica. Hoe meer er verzuipen, hoe liever. Wie de oversteek levend haalt, zo snel mogelijk terugsturen. En vervolgens met bruut geweld elke toegang tot Europa afsluiten.

Een groot staatsman hebben we voorlopig aan Theo Francken niet verloren. Hij huilt maar wat mee met de wolven en probeert krampachtig de Europese harteloosheid voor te stellen als de enig mogelijke en waarachtig humane beleidsoptie. Daarom waag ik het maar hem die bruine envelop te sturen met een kopie van “De Smekelingen”. Heel misschien zal de staatssecretaris dan begrijpen dat een volkomen andere grondhouding ook tot de mogelijkheden behoort. Aeschylos geeft in zijn tragedie een prachtig voorbeeld van waarlijk groot staatsmanschap. In een van de moeilijkste maatschappelijke en politieke kwesties, kiest de koning van Argos voor een zo breed mogelijk debat en toont hij de moed om grote risico’s te nemen, in het belang van de zwaksten.

Ons land heeft nood aan een hedendaagse Pelasgus. Iemand die zijn politieke nek uitsteekt en de bevolking overtuigt van de noodzaak om onze grenzen open te stellen voor de wanhopigen van deze wereld. Iemand die geen genoegen neemt met “we doen al zoveel”, maar die onomwonden durft te zeggen: “We doen veel te weinig.” Iemand die alles in het werk stelt om mensen ervan te overtuigen dat we die medemenselijkheid verschuldigd zijn aan wie het in deze wereld niet zo fortuinlijk getroffen heeft als wij zelf. We hebben nood aan een verantwoordelijk man of vrouw, die net als Pelasgus kan zeggen:

Ja, hier is nood aan diep en heilzaam overleg,
net als een duiker ook de diepte in moet gaan
met klare blik die door geen wijn vertroebeld is,
opdat dit zonder schade eerst voor onze stad
en voor mij zelf ten slotte goed verlopen mag,
en dat het tot geen strijd van onderpanden komt.
Neen, ‘k wil u niet, die voor de altaren zijt geknield,
uitleveren, een alvernietigende god,
de Wraakgeest, nemen als mijn boze huisgenoot,
hij die zelfs in de Hades niet zijn doden lost.
Heb ik geen nood dan, zeg, aan heilzaam overleg?

Advertenties