????????????????????????????????????

In de voorbije maand was mijn dochter jarig. “Ik ben drie jaar”, herhaalt ze nu voortdurend, waarbij ze probeert om netjes drie vingertjes op te houden. De tijd raast maar door. En dat groeit maar, als kool. Ze ontroert, vermaakt en verblijdt ons met haar onstuimige kleutercapriolen. En met haar koppig willetje duwt ze ons tot ver over de grens van het ouderlijk geduld.

We hebben onze jongste telg Noömi genoemd. Niet zonder risico. Het was natuurlijk voorspelbaar dat deze naamkeuze voor de nodige probleempjes zou zorgen. Hóe heet ze? Zeg dat nog eens. Hóe spreek je dat uit? Het blijkt voor heel wat mensen niet evident om twee opeenvolgende letters o apart uit te spreken, met de klemtoon op de tweede. Het vraagt misschien een beetje oefening, maar zo moeilijk is het echt niet. Probeer het maar.

Na de fonetische toelichting volgt onvermijdelijk de vraag waar we die naam vandaan hebben. Nogal wat wenkbrauwen gaan spontaan in de frons als ik zeg dat het een bijbelse naam is. Wat, uit de Bijbel? Wat hebben jullie in godsnaam verloren in de Bijbel?

Mijn dochter heeft haar derde verjaardag gevierd in wat ontegensprekelijk een mooie zomer was. Tenminste wat het weer betreft. Want die mooie zomer werd overschaduwd door een nooit eerder geziene vluchtelingencrisis. Een crisis die zonder meer bijbelse proporties aanneemt. In het licht daarvan is het meer dan wenselijk om de naam van mijn dochter toe te lichten.

Je vindt de bijbelse Noömi terug in het Oude Testament, in het boek Ruth. Ik schets kort het verhaal:

Er heerst hongersnood in Bethlehem. Noömi ziet geen andere uitweg dan samen met haar man en hun twee zonen te vluchten naar het land van de Moabieten. Het vreemdelingengezin vindt er een onderkomen. De twee zonen huwen met een Moabitische vrouw. Eén van deze vrouwen luistert naar de naam Ruth. Maar de lijdensweg van Noömi is hiermee niet ten einde. Ze verliest haar man en haar twee zonen. Wanneer de hongersnood in Bethlehem voorbij is, besluit Noömi terug te keren. Ze probeert haar schoondochters te overhalen om in hun land te blijven. Eén van hen gehoorzaamt. Maar Ruth wil niet van haar zijde wijken en reist mee naar Bethlehem. Noömi zorgt ervoor dat Ruth, op haar beurt nu een vreemdelinge, in de plaatselijke gemeenschap wordt opgenomen. Ze kan er leven en werken en huwt met Boaz, een verwant van Noömi’s overleden echtgenoot. Uit dat huwelijk wordt een zoon geboren, voorvader van koning David.

Ik wens mijn dochter natuurlijk geen van de loodzware beproevingen toe die haar bijbelse naamgenote ten deel vielen. Maar in een wereld waarin de vreemdelingenhaat zo onbeheersbaar woekert dat nieuwe inktzwarte bladzijden in onze geschiedenis akelig aanneembaar worden, hoop ik dat het verhaal van Noömi mijn dochter kan inspireren om in te gaan tegen de bekrompen denkbeelden die de angst en de haat voeden. Op zijn minst hoop ik dat het verhaal kan verhoeden dat die denkbeelden ook haar in hun verstikkende greep krijgen.

Een beeld dat blijvend in mijn hoofd spookt, is dat van een dood meisje dat ronddrijft in het helder blauwe water voor de Libische kust. Het dateert al van april. Het ging, zoals dat vandaag de dag gebruikelijk is, de wereld rond. Maar dit verdronken meisje vermocht het niet om een spontane golf van verontwaardiging, medeleven en hulpvaardigheid teweeg te brengen, zoals een aangespoeld lijkje op het strand van Bodrum dat wel kan.

Over het beeld van het dode meisje schrijft de Nederlandse oorlogsfotograaf Teun Voeten: “Het staat symbool voor het gebrek aan verantwoordelijkheid van ouders om een kind zonder zwemvest op een gammele boot te zetten, voor de misdadige mentaliteit van mensensmokkelaars die wanhoop exploiteren. Maar vooral voor de morele chantage waaraan het Westen onderworpen wordt. Vluchtelingen, die zich hulpeloos en berooid op onze stranden gooien, met de boodschap: ‘U dient ons te helpen, ontfermt u over ons. Zo niet dan bent u het predicaat menselijk niet waardig.’”

Teun Voeten verdient een nog in te stellen prijs voor meest cynische commentaar bij uitzonderlijk tragische gebeurtenissen. Waarom trekt iemand met een fototoestel naar de meest gruwelijke oorlogsgebieden, om dan, wanneer de slachtoffers van al die wreedaardigheid een wanhopige queeste naar een vredig leven aanvatten, zo verkrampt en chagrijnig uit de hoek te komen? Iemand moet Teun Voeten dringend vertellen dat hij bloemen moet fotograferen, spelende kinderen, pas gehuwde stelletjes. Te veel ellende voor zijn lens heeft een verbitterd kankeraar van hem gemaakt.

Wat ik zie, is iets helemaal anders. Ik zie een kind dat drie, vier of misschien al vijf vingertjes ophield wanneer het gevraagd werd hoe oud het was, maar dat daar nooit nog een vingertje bij zal tellen. Een kind dat nooit de overkant zal bereiken, een overkant die de belofte inhield van een leven zonder oorlogsgeweld en de ontberingen die daarmee gepaard gaan. Die belofte werd gedoofd met het zoute zeewater dat haar longen vulde. Ik zie een meisje dat, gesteld dat ze de overkant wel had gehaald, op muren van vijandigheid zou gelopen zijn. Van het geweld van oorlog en fanatisme, zou ze terecht gekomen zijn in het geweld van de Europese zelfzuchtigheid, hebzucht en vreemdelingenfobie. Ik zie een kind waarvan de verdrinkingsdood wordt toegejuicht door de koudbloedigheid die over de digitale fora sliddert.

Dat is geen emotioneel gewauwel, het zijn feiten. Alleen vragen ze empathie. Zonder meevoelen worden ze onzichtbaar. Wie niet meer in staat is om de empathische feitelijkheid te zien, is klaar om volgegoten te worden met de valse feitelijkheid van de angst, de haat en de hebzucht.

Ik hoop dat het verhaal achter haar naam mijn dochter van leugenachtige feitelijkheden weg kan houden:

Zodat ze niet voor feitelijk moet nemen dat de talloze vluchtelingen die verdronken in de Middellandse Zee, hun treurige lot zelf gezocht hebben, ze hadden zich maar niet zonder zwemvest op zee moeten wagen. Of dat dode kinderen in het water of op het strand de schuld zijn van onverantwoordelijke ouders. Of dat wij Europeanen ons daar op geen enkele manier schuldig over moeten voelen.

Zodat ze niet moet geloven dat Europa zoveel vluchtelingen niet aankan, dat we daar de middelen niet voor hebben.

Zodat ze niet moet aannemen dat vluchtelingen in ruil voor opvang ingezet kunnen worden voor gemeenschapsdienst of om klusjes op te knappen. Of dat ze als excuus kunnen dienen om arbeidsvoorwaarden, regels en wetten te slopen.

Zodat ze zich niet moet laten wijsmaken dat er tussen al die vluchtelingen heel wat mensen met duistere bedoelingen verstopt zitten, extremisten van IS, die onze contreien alleen maar opzoeken om er dood en verderf te zaaien.

Zodat ze ook niet moet denken dat onze Europese welvaart, cultuur en tradities verdedigd moeten worden met het optrekken van hekken en muren, met hardhandig optreden van politie, met het inzetten van troepen aan onze grenzen, door vluchtelingen de toegang tot onze stations te verbieden, hen op te sluiten in kampen, door wie illegaal onze grenzen oversteekt in de gevangenis te gooien, met het toekennen van een apart statuut aan erkende vluchtelingen, door vluchtelingen sociale rechten te ontzeggen.

De Bijbel is het fundament van de joods-christelijke traditie waarin onze samenleving, ook al is ze seculier, nog altijd gebed is. En dat boek staat vol met verhalen over mensen en volkeren op de vlucht. Voor hongersnood, oorlog, onderdrukking, slavernij. Uit al deze verhalen spreekt het mededogen voor wie onrecht wordt gedaan. Vreemd genoeg trachten rechtse politici en opiniemakers vandaag, precies in naam van die joods-christelijke traditie, het mededogen als naïef gebazel van de hand te wijzen. Gelukkig krijgen ze van steeds meer mensen lik op stuk.

“Ik ben drie jaar”, zegt mijn dochter, en houdt daarbij drie vingertjes in de lucht. Ze heet Noömi. Hopelijk wordt de vraag waar die naam vandaan komt nog veel gesteld en kan het verhaal erachter net zoveel keer verteld worden, zodat duidelijk wordt welke traditie we echt te verdedigen hebben.

Advertenties