Brugge

(Foto Dimitris Kamaras, Flickr)

“Ze zou op een sombere avond, van alles en iedereen verlaten, sterven in een tehuis waarvan de ramen op een rei uitkeken…”

Een treurige en wanhopige gedachte in het hoofd van Barbe, de vrome huishoudster van Hugues Viane, protagonist in de 19de eeuwse roman Bruges la morte van Georges Rodenbach. De succesvolle roman verscheen in 1892 en zou in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de toeristische belangstelling voor de stad Brugge. De Bruggelingen zelf waren niet onverdeeld over het werk. Het portret dat Rodenbach van hun stad schilderde, was voor veel van hen al te naargeestig.

Bruges la morte vertelt het van symboliek hoogzwangere verhaal van Hugues Viane, die zich vijf jaar na de dood van zijn vrouw, gehuld in de zware mantel van de eeuwigdurende rouw, in Brugge vestigt. Deze stad komt hem voor als het uitgelezen decor waarin hij zijn verdriet ten volle kan beleven.

“De Stad, die vroeger ook bemind en mooi was geweest, belichaamde het voorwerp van zijn verdriet. Brugge was zijn dode. En zijn dode was Brugge. Alles verenigde zich in eenzelfde lot. Brugge was een dode stad, die zelf in het graf lag van haar stenen kades, met haar reien die verkilde aderen waren geworden toen de krachtige hartslag van de zee was gestokt.”

Hugues zwerft doelloos door het mistroostige Brugge, een grijs en kil doolhof dat tot in de kleinste hoeken en kanten niets dan existentiële eenzaamheid en doodsgedachten oproept. De stad is de veruitwendiging van het innerlijke smartenlandschap van de ontroostbare weduwnaar. Wanneer Hugues een danseres ontmoet waarin hij de verrijzenis van zijn dode geliefde meent te zien, lijkt de stad haar rouwsluier even in te ruilen voor het levenskrachtige vuur van de hartstocht. Maar dat blijkt snel een verraderlijke illusie, die uitdraait op een drama. Uiteindelijk is het de dood die zijn koude suprematie opdringt en de stad in zijn beklemmende greep houdt.

Verre van vrolijk proza dat Rodenbach ons nalaat. Het beeld dat de schrijver hierin van Brugge tekent, lijkt vandaag, in onze 21ste eeuw, niet meer dan een literaire constructie uit een lang vervlogen tijd.

En toch…

“Een vrouw van 47, een man van 41 en een bejaarde vrouw van 80”, verklaart de burgemeester. Drie eenzaam gestorven mensen die in één en dezelfde week door de Brugse politie in hun huis werden aangetroffen. Ze verlieten het ondermaanse geheel onopgemerkt, om vervolgens gedurende een maand door niemand gemist te worden. Is er een treuriger levenseinde denkbaar? Het sterven dat pas opgemerkt wordt als de penetrante geur van ontbinding en het plotse krioelen van zwermen vliegen de omwonenden hinderen.

In het als altijd vluchtige 21ste eeuwse krantenbericht schemert plots de dode stad van Rodenbach weer door. Opnieuw klinkt de noodlottige gedachte van Barbe. Opnieuw struint Hugues Viane door de mistige straten om er overal de dood te ontwaren.

“De huizen met hun dichte luiken gaven een doodse aanblik, met hun ramen die leken op de ogen van een zieke in doodsstrijd…”

Eenzaamheid, zowel de fysieke als de existentiële, is de grootste kwaal van onze hedendaagse steden, onderstreept psychiater Dirk De Wachter. “Zo maakbaar als de neoliberale mens dacht te zijn, zo volkomen ontmenselijkt kan hij eindigen”, stelt hij in Borderline Times.

In deze 21ste eeuw, waarin onze steden volop in ontwikkeling zijn en we hen almaar meer macht en autonomie toekennen, moeten berichten over eenzame doden ons uit elke genoeglijke waan ranselen. Ze moeten uit de vluchtigheid van de dagelijkse nieuwtjesmolen gehaald worden, om ons zonder ophouden te kwellen en wakker te houden, ons dwingend te interpelleren over welke stad we de onze willen noemen.

Een snel bij mekaar geharkt anti-eenzaamheidsplan, zoals dat nu in Brugge wordt voorzien, is pleisterpolitiek. Eerder moet er een antwoord komen op de vraag of we wel zin hebben om die neoliberale mens te zijn. Een mens die gelooft in de feeërieke tafereeltjes in sneeuwbollen, maar ondertussen gekweld wordt door eenzaamheid en de angst om te eindigen op het potter’s field van onze welvaartsmaatschappij.

Misschien wordt dit alles nog het best geïllustreerd met één van de ideetjes die in Brugge op tafel liggen voor het anti-eenzaamheidsplan. Men denkt eraan om een overeenkomst te sluiten met B-post. Postbodes zullen dan de opdracht krijgen om af en toe langs te gaan bij 80-plussers, om te kijken of er geen problemen zijn. Blijkbaar hebben een aantal steden en gemeenten al een dergelijke deal afgesloten. Hier zien we de neoliberale mens in al zijn glorie. Nadat hij de postbode met een chronometer op zijn steeds sneller af te leggen ronde heeft gestuurd en zo zijn van oudsher vanzelfsprekende sociale functie – wegens niet rendabel – onmogelijk heeft gemaakt, gaat hij deze functie nu in een zakelijke overeenkomst gieten. Er wachten ons zonder twijfel ook nog wel een pilletje en een verzekering tegen de eenzaamheid.

“Hij vreesde de eenzaamheid in het huis, de wind die in de schoorsteen huilde, de herinneringen die steeds talrijker werden om hem heen en hem strak leken aan te staren. Hij ging bijna de hele dag uit en liep doelloos en ontredderd rond.”

Advertenties