Die van rechts

rechts

Die van rechts hebben een nieuwe knuffel. Herman Brusselmans, schrijver van een oeuvre dat leest als een cursus grofgebekt en gratuit schelden en schofferen, heeft hen met een column – “Wij van links” – naar nieuwe hoogten van extase gevoerd. De literator van het universum rond de eigen eikel hekelt het tot vervelens toe al door zoveel voorgangers gehekelde “cultuurrelativisme” van die van links. U kent dat, het ondertussen meer dan slaapverwekkende gezeur over de blinde liefde voor couscous, de obsessie met de mythen van racisme en discriminatie, het niet aflatende pamperen van al wie overduidelijk verwend en vertroeteld wordt maar liever rekent op het medelijden wekkend effect van het behoren tot een kansengroep, en vooral natuurlijk het suïcidale omarmen van het geloofsleger van Mohamed. Die van links bieden de slachters van IS met de glimlach hun bleke keel aan.

Het levert de grootmeester van het cynische snotschrift een nieuwe eretitel op: de held van rechts. Of Brusselmans die medaille ook zelf op zijn borst gespeld wil zien, is nog zeer de vraag. Maar dat zal die van rechts een rotzorg zijn. Hoezee, er heeft er zich eentje bekeerd! En dan nog wel een culturo, zo een van die pretentieuze artistiekelingen waarvoor die van rechts altijd wel een vette fluim hebben klaar zitten. Maar zie, één bladzijde geletterd spuugsel volstaat om een schrijver waarin die van rechts nooit geïnteresseerd waren, een ereplaats toe te kennen in het pantheon van de grote helden der Vlaamsche letteren.

Kamerheer van rechts Siegfried Bracke spreekt Brusselmans voortaan aan met “Goede Herman” en out zich als groot bewonderaar van diens werk, dat net zo snel van de band rolt als de sigaretten opbranden tussen zijn vingers. Hij rekent goede Herman nu bij “onze rangen”. Daarmee bedoelt heer Bracke de bonte verzameling van allerlei luiden die het met hem eens zijn dat “de politiek moet doen wat sociaal rechtvaardig is”. En daarvoor ben je vanzelfsprekend nergens beter af dan bij die van rechts. Wat met overvloedig bewijs gestaafd kan worden.

In onze rangen treffen we bijvoorbeeld Liesbeth Homans, die ons op de borst drukt dat racisme geen gruwel of misdaad tegen de menselijkheid is maar een relatief begrip en vooral een excuus voor eigen falen. Brusselmans weet dat ook. Discriminatie bestaat niet, want hij is vaste klant in een Turkse bar en er zijn ook Marokkanen die werk hebben.

Nog in onze rangen vinden we Jan Jambon, die vindt dat er nog meer bespaard moet worden in de sociale zekerheid. Voor flinkse Jan kan er nooit genoeg beknibbeld worden op de karige reserves voor de werklozen, de zieken en de ouden van dagen. De zoveelste onthulling van weggemoffelde fortuinen in Panamese en andere vuile papieren kan daar hoegenaamd niets aan veranderen. Het is dat verdomde klootjesvolk dat alles verziekt, alles opsoupeert en elke balans uit evenwicht brengt. Discipline en verantwoordelijkheid, dat is wat dat profitariaat moet worden bijgebracht.

Wij zien vervolgens Johan Van Overtveldt, ook van onze rangen. Hij toont zich wél erg verontwaardigd over dat Panamese schandaal en belooft dat het een absolute prioriteit zal zijn. Hetzelfde beloofde hij ook al bij de voorgaande rondjes blootleggen van gesjoemel. Prioriteit zal het best wel wezen, maar voorlopig duidelijk niet om er iets aan te doen. Net zoals het ook niet de bedoeling is dat grote bedrijven hun onrechtmatig verkregen belastingvoordelen netjes terug in de staatskas storten. Daar gaat Johan persoonlijk wel even dwars voorliggen.

Theo Francken, nog een topnaam in onze rangen. Een beetje evenwichtsproblemen op de sociale media, waar hij geregeld last heeft van uitschuivers die nogal sterk geuren naar dat onbestaande racisme. Maar hij is ook bedreven in het welwillend deleten van ondoordachte berichten. Bij geheime vergaderingen op Grieks grondgebied durft hij wel eens te pleiten voor het terug in zee duwen van al te opdringerige vluchtelingen, wat hij daarna met klem ontkent, terwijl het in de praktijk lekker wel gebeurt. Francken heeft ongetwijfeld een goede vriendin aan Zuhal Demir, ook van onze rangen, die in het televisieprogramma “Terug naar eigen land” zes afleveringen lang schel trompetterde dat het vluchtelingendrama weliswaar haar hart breekt, maar dat het eigenlijk toch allemaal liegende en bedriegende kloefkaffers zijn.

En daar is dan, last but not least, heer De Wever, zonder wie er van onze rangen überhaupt geen sprake zou zijn. De eerste in rang is woedend, omdat we alles doen om dat moslimvolkje hier welkom te heten, ons uit de naad werken om het alles te geven wat het wenst, om het alle mogelijke kansen te bieden. En dan toont het zijn ware aard en knauwt lelijk in de hand waaruit het rijkelijk heeft gevreten. Stank voor dank. Awel merci! Brusselmans weet het ook, ze willen ons alleen maar naar de kloten helpen. Zonder soldaten op straat kan De Wever niet meer leven en wie naar Syrië trekt, moet liefst zo snel mogelijk doodgaan. En als er toch zo’n strijdlustige knaap terug naar huis komt: naar de vergeetput met hem! Het zijn altijd dezelfden waar we gedoe mee hebben, want een Chinees heeft De Wever nog nooit horen klagen. Nee, het wordt erg moeilijk om de moslims nog graag te zien.

Rare jongens, die van rechts. Ze kennen er wat van, van politiek die doet wat sociaal rechtvaardig is. In hun plaats zou ik ook euforisch worden wanneer een populaire veelschrijver een blijk van overeenkomstig denken geeft.

Die van rechts hebben een curieuze gewoonte. Ze verkondigen voortdurend dat ze eigenlijk niet van rechts zijn. Er zijn er zelfs bij, zoals kamerheer Bracke, die bij hoog en bij laag volhouden dat ze in feite van links zijn. Of nee, het zit nog anders, zij vinden het onderscheid tussen links en rechts alleen nog van belang voor hun schoenen. Zelf zijn ze daar al lang voorbij. Dat heet modern, vernieuwend, voorwaarde voor krachtige verandering. Nochtans is dat verhaal al zeker een kwart eeuw oud. U herinnert het zich wel: er zijn geen ideologieën meer, het einde van de geschiedenis! Behalve als er nood is aan een pispaal. Dan kunnen er niet genoeg zijn van die van links, om ze met alle zonden te beladen en genadeloos aan de schandpaal te nagelen.

Die van rechts lopen dezer dagen de boekhandels plat. In drommen staan ze bij de letter B. Voor het werk van goede Herman, onze held. Of ze er veel uit op zullen steken? Misschien wat inspiratie voor schelden en schofferen. Maar dat kunnen die van rechts zonder Brusselmans ook wel.

De barbaren zijn gekomen!

segregatie

“De angst voor de barbaren brengt het risico met zich mee dat we barbaren worden. En het kwaad dat we onszelf zullen aandoen, zal uitgaan boven het kwaad waarvoor we in het begin bevreesd waren. De geschiedenis leert ons dat het middel erger dan de kwaal kan zijn.” – Tzvetan Todorov

Een paar weken geleden waren alle ogen plots gericht op Koksijde. Burgemeester Marc Vanden Bussche (Open Vld) wilde volwassen vluchtelingen stante pede de toegang tot het zwembad verbieden. Aanleiding: een Irakese vluchteling zou een tienermeisje aangerand hebben en er was ook sprake van een aantal gluurincidenten. Het werd snel duidelijk dat de beschuldigingen totaal geen steek hielden. Het parket zag geen enkele reden om de man in kwestie aan te houden of te vervolgen, de ouders van het meisje verklaarden dat de zaak zwaar overroepen was. Er kwam dan ook geen zwembadverbod.

Voor de Irakese jongeman was het kwaad uiteraard geschied. Hij werd door Theo Francken meteen gebrandmerkt als een gevaar voor de samenleving en opgesloten in een gesloten asielcentrum. Even later mocht hij dat centrum dan wel verlaten, maar hij mag niet meer terug naar Koksijde, hoewel hij dat zelf wel verkiest.

Wat mij ten zeerste verbaast, is dat blijkbaar niemand het in deze zaak gepast vond om iets van een verontschuldiging te formuleren. Burgemeester Vanden Bussche niet, Theo Francken niet. Maar ook niet Bart Tommelein en Alexander De Croo, twee vooraanstaande partijgenoten van Vanden Bussche, die zich onmiddellijk achter het voorstel voor een zwembadverbod hadden geschaard. En ook hun voorzitter Gwendolyn Rutten niet, die met een verontwaardigd Twitter-bericht eveneens haar steun voor de burgemeester had uitgesproken.

Ook verbazend was hoe Vanden Bussche er in de media vanaf kwam. Er werd weliswaar gewag gemaakt van een overdreven reactie, een rechtse kramp, het oprekken van wettelijke regels. Maar anderzijds was er toch ook opvallend veel begrip: in het licht van de gebeurtenissen in Keulen was de reactie begrijpelijk, er is de zware druk van de publieke opinie, het ging om een pijnlijk misverstand, een inschattingsfout.

Met permissie, ik vind dat volstrekt ontoereikend. De zwembadhistorie van Koksijde is alles behalve een pijnlijke vergissing. Het is een doelbewuste beschadigingsactie van een xenofobe burgemeester die van meet af aan geen vluchtelingen op zijn grondgebied wilde en ook vindt dat deze mensen voorwerp moeten zijn van aparte politionele regels. Misbruik makend van de collectieve verontwaardiging over het seksuele geweld in Keulen, zag hij de kans schoon om in Koksijde een op niets gebaseerde paniekgolf uit te lokken en de vluchtelingen op zijn grondgebied indirect af te schilderen als een horde verkrachtende wilden. “Ik wil niet dat Koksijde een tweede Keulen wordt. Mijn inwoners mogen hier niet met de schrik op het lijf zitten om te gaan zwemmen of rond te lopen”, liet hij in de krant optekenen.

Maar voor deze kwalijke politicus geen enkele terechtwijzing of sanctie. Integendeel, de man krijgt in de media nog eens ruimte geboden om zijn verbale krachtpatserij verder te ontwikkelen. Zo wist hij nog mee te delen dat hij eigenlijk nog veel verder wilde gaan dan een zwembadverbod, maar dat het Centrum voor Gelijke Kansen hem dat verhinderde. En hij verklaarde ook nog dat de vluchtelingen wat hem betreft tegen de zomer maar best verdwenen kunnen zijn, zodat ze het toeristische seizoen niet in gevaar zouden brengen.

Wedstrijdje flinks zijn

Vanden Bussche moest zijn ideetje voor een zwembadverbod dan wel opgeven, dat betekent allerminst dat zijn opzet mislukt zou zijn. Hij heeft in ieder geval een niet geringe bijdrage geleverd aan het cultiveren van een klimaat van angst en vijandigheid. En dat is waar het hem zonder twijfel allemaal om te doen is. Bovendien lijkt het wel alsof de burgemeester de aftrap heeft gegeven voor een wedstrijdje flinks uit de hoek komen.

We blijven even in de zwembadsfeer. In Blankenberge verliet een vrouw het zwembad omdat ze vond dat drie aanwezige vluchtelingen stonken. Het lokale bestuur verbiedt nu de toegang aan mensen die niet hygiënisch genoeg zijn. De burger heeft van Koksijde geleerd dat vluchtelingen verdacht gemaakt kunnen worden op basis van subjectieve criteria: raar kijken, onfris ruiken, niet hygiënisch zijn, … Lokale politici hebben onthouden dat een bordje “verboden voor vluchtelingen” voorlopig nog niet door de beugel kan, maar zoeken dan wel naar een creatieve variatie. Vanden Bussche scoort.

Dan was er ook de West-Vlaamse gouverneur Decaluwé (CD&V) die de bevolking opriep om vluchtelingen geen hulp te bieden. Geef ze geen eten, geen kleren, geen onderdak, want dan komen ze daar op af, en straks slaan ze nog op Belgisch grondgebied hun tenten op, een catastrofe voor het kusttoerisme. “Verboden te voederen”. Vanden Bussche scoort opnieuw.

Er was natuurlijk ook de N-VA, die onmiddellijk met het voorstel kwam om het snelrecht in te voeren voor vluchtelingen die zich schuldig maken aan zedenfeiten. En er was de onbegrijpelijke steunverklaring van John Crombez (Sp.a) aan het pushback-plan van de Nederlandse politicus Diederik Samsom. En er is Hendrik Bogaert (CD&V), die zijn partijvoorzitter oproept om hardere standpunten in te nemen met betrekking tot de asielcrisis. De partij wil meer inzetten op gedwongen terugkeer en wil ook wel spreken over een herziening van de conventie van Genève. Vanden Bussche scoort keer op keer.

Het is duidelijk dat zowat alle partijen zich nu al blind zitten te staren op de knipperlichten van de verkiezingen van 2018 en 2019. De kans dat de vluchtelingencrisis daarbij een groot en doorslaggevend thema wordt, is niet weinig reëel. En iedereen heeft gezien hoe Filip Dewinter met een brede grijns de bokshandschoenen van onder het stof heeft gehaald. Vlaams Belang is verder opvallend zwijgzaam, maar is ongetwijfeld al volop bezig met het uittellen van de winst. Opnieuw denken heel wat partijen en politici dat ze de dreiging van extreemrechts kunnen stoppen door de eigen standpunten te verharden en elkaar langs rechts voorbij te steken.

Verlekkerd op oorlog

Kenneth Roth, CEO van de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch, veroordeelt die houding categoriek: “Politieke lafheid. Ik heb er geen andere woorden voor. Centrum-politici merken dat extreemrechts in de peilingen wint en denken dat ze met hun imitatiegedrag ook stemmen zullen winnen. Uiteraard is dat een vergissing: hoe meer ze xenofobe politici achternahollen, hoe meer die laatsten aan populariteit winnen.”

Meer dan ooit hebben democratische politici de verdomde plicht om de onderbuikgevoelens van de samenleving het hoofd te bieden, in plaats van die nog te versterken en zo de wegbereiders te zijn van toekomstige catastrofen. We hoeven maar even te kijken naar wat via de doorgeefluiken van de sociale media in extreemrechtse kringen zoal circuleert, om te weten dat dit ver van overdreven is.

Zo is er bijvoorbeeld “De Nieuwe Realist”, de blog van de Nederlandse schrijver Joost Niemöller. De schrijver bespreekt in een recente post een bundel artikels over het seksuele geweld in Keulen. Hij onderschrijft de ronduit fascistische ideeën die door de verschillende auteurs worden geformuleerd. Een paar voorbeelden?

Europa zou lijden onder een combinatie van verregaand begrip voor het uitheemse en schaamte voor het verleden van slavernij en kolonialisme. Vandaar de standaard van humanitaire idealen en politiek correcte maatregelen. Die standaard staat het gewapend verzet tegen een invasie en het sluiten van de grenzen in de weg. Europa zou ook te vrouwelijk zijn. Vechten is er een taboe. De ondergang van Europa zou dan te wijten zijn aan een uitholling van de mannelijkheid. En dat is dan weer waarom al die moslimmannen aan het verkrachten gaan. Omdat Europese mannen watjes zijn en hun vrouwen toch niet wreken. Europese mannen hebben geen kloten. Ze geven zich dus zonder slag of stoot over aan de barbaarse indringers.

De vraag die Niemöller zich stelt, is of en wanneer de Europese mannen opnieuw ballen zullen krijgen. Wanneer ze dus bereid zullen zijn om te vechten. Niemöller, en met hem menig facistoïde fantast, zit doodleuk te wachten op brutaal geweld en burgeroorlog. Ongetwijfeld zitten ze zich al te verkneukelen bij de aanslagen op asielcentra, de aanvallen door gemaskerde bendes op migranten en vluchtelingen, de grimmige protesten van buurtbewoners bij de instelling van elke opvangvoorziening, de toenemende Pegida-acties. Allemaal voortekenen van de heilige oorlog ter verdediging van het Avondland.

Echte politieke moed

In 1980 schreef de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee de roman “Wachten op de barbaren”. Hoofdpersonage is een magistraat die in een buitenpost van het Rijk moet toezien op de goede orde. Buiten de grenzen van het Rijk leven de barbaren. Behalve om handel te drijven, laten die zich maar zelden zien.

Op een dag arriveert het leger in de buitenpost. Van daaruit zal het ten strijde trekken tegen de barbaren, die plots gezien worden als een bedreiging. Al snel keren soldaten terug van expeditie met grote aantallen krijgsgevangenen. Ze worden als beesten op het plein bijeen gedreven, gefolterd en vernederd.

De magistraat kiest de zijde van de gevangenen. Hij weigert hen als barbaren te zien en verzet zicht tegen hun onmenselijke behandeling. Hij wordt daarom gevangen gezet en moet zelf de mensonterende behandeling van het militaire regime ondergaan.

In dit fragment beschrijft Coetzee treffend het heersende angstklimaat: “De barbaren komen ’s nachts te voorschijn. Voor het invallen van de duisternis moeten de laatste geiten zijn binnengehaald en de poorten met behulp van stangen vergrendeld zijn en dient er op elke uitkijkpost een wacht te staan die de uren afroept. De barbaren, zo zegt men, sluipen de hele nacht rond om te moorden en te roven. Kinderen zien in hun dromen de vensterluiken vaneen gaan en woeste barbarengezichten naar binnen gluren. ‘De barbaren zijn gekomen!’ gillen ze, en ze zijn ontroostbaar.”

“Wachten op de barbaren” waarschuwt voor de opkomst en de gevaren van een onderdrukkend regime dat zichzelf legitimeert door de creatie van een barbaarse vijand. Zesendertig jaar nadat Coetzee deze roman schreef, is hij akelig actueel. Lees hem.

Het vraagt weinig politieke moed om mee te drijven op onderbuikgevoelens en hard op te treden tegen een groep mensen die te zwak zijn om zich te kunnen verdedigen. Het vraagt weinig moed om deze groep te ontmenselijken en voor te stellen als een invasiemacht die het Europese continent naar de ondergang zal brengen. Echte politieke moed ligt in de verdediging van wie onrecht wordt aangedaan en het ontkrachten van alle kwaadwillige strategieën die leiden tot de gruwel die Coetzee beschrijft.

Het doet me denken aan iets wat ik in 2008 schreef in een brief aan toenmalig premier Yves Leterme: “Ik geloof dat een groot politicus zich onderscheidt wanneer hij op cruciale momenten, in de meest netelige dossiers, tegen de heersende opinie en electorale logica in, duidelijk standpunt durft in te nemen in het belang van de allerzwaksten.” In 2008 was zo’n groot politicus in regeringskringen niet te vinden. Vandaag helaas al evenmin.

Open brief aan Bart Somers

islam

 

Geachte heer Somers,

Ik heb even getwijfeld of ik deze brief wel zou schrijven. Omdat de gruwel in Parijs wel eens een makkelijk argument zou kunnen zijn om hem zonder meer van tafel te vegen. Uit verschillende richtingen klinkt immers opnieuw de luide roep om meer militair geweld, vergelding, meer politie, meer controle en repressie, verbod op de islam. En dan kom ik met een schrijfsel om een door u voorgestelde controlemaatregel in vraag te stellen.

Maar het zou natuurlijk dwaas zijn om het politieke en maatschappelijke debat te staken of te pauzeren omwille van de actualiteit, hoe schokkend die ook moge zijn. Onze mening en argumentatie even inslikken omdat de actualiteit ze niet gunstig is, kan denk ik geen optie zijn. Dus begin ik er toch maar aan.

In het Vlaams Parlement betoogde u onlangs dat de Mechelse politie controles moet kunnen uitvoeren bij salafistische moslims die hun kinderen thuisonderwijs geven. Dat om te vermijden dat de betrokken jongeren in de ban zouden geraken van al te radicale denkbeelden. Niet dat u het oorzakelijk verband tussen salafisme en terreur als vanzelfsprekend beschouwt, maar de mogelijkheid dat het ene uit het andere voortvloeit, is voor u voldoende om aan te dringen op controles.

Ik vraag me af of u hiervoor misschien inspiratie heeft gevonden in Rotterdam. Daar woedt al geruime tijd een nogal onfris debat over de toekomst van het thuisonderwijs. De wethouder van Onderwijs, Hugo de Jonge, wil dat het liefst zo snel mogelijk volledig afschaffen. Zijn voornaamste motivatie: de mogelijke radicalisering van salafistische moslims. Waar men in Rotterdam nog aan denkt, is het strenger maken van de voorwaarden om een toelating te krijgen voor thuisonderwijs. Nog een ander ballonnetje is het thuisonderwijs verbieden voor moslims. Dat laatste ideetje oogst nogal wat bijval bij de partij van Geert Wilders.

Ik denk dat geen van deze drie pistes wenselijk is. Het kan toch niet zijn dat we wettelijk vastgelegde voorzieningen afschaffen omdat ook moslims er gebruik van maken? We kunnen toch niet aanvaarden dat de toegang tot die voorzieningen bemoeilijkt wordt om moslims te ontmoedigen? En we willen toch helemaal niet dat voorzieningen verboden worden voor moslims? In Rotterdam zien we een duidelijk voorbeeld van een vaak terugkerend fenomeen. Maatschappelijke voorzieningen worden ingeperkt of moeilijk toegankelijk gemaakt van zodra ongewenste groepen er teveel gebruik van maken. Ik mag dus hopen dat u niet aanstuurt op een Rotterdams debat.

Nederlandse ouders van kinderen die thuisonderwijs genieten, begrijpen alvast niet wat nu eigenlijk het probleem is. Ook niet wat betreft de dreiging van radicalisering. Tonnie Nijenhuis, woordvoerder van de Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs, zei in een toespraak op 29 april dit jaar: “De Salafistische levensovertuiging van een aantal gezinnen in Rotterdam zou ik hier niet eens moeten hoeven noemen. We hebben het hier over vredelievende mensen, gewaardeerde leden van onze vereniging en van de thuisonderwijsgemeenschap. Er is geen enkel verschil tussen deze ouders en welke andere thuisonderwijzers dan ook. Van radicalisering is al helemaal geen sprake.”

Ook in Mechelen zien de betrokken mensen niet in waar deze bezorgdheid plots vandaan komt. De moslim-kinderen die thuisonderwijs krijgen, worden begeleid door professionele leerkrachten. Ze slagen elk jaar in hun examens en een aantal van hen studeert ondertussen aan de universiteit. Het Mechelse thuisonderwijs is blijkbaar een succesverhaal. Vreemd dat u er niet als de kippen bij bent om dat in de verf te zetten, u die anders geen gelegenheid onbenut laat om Mechelen als beste leerling van de klas naar voor te schuiven.

Helemaal onbegrijpelijk wordt het wanneer ik teruglees wat u in maart dit jaar toevertrouwde aan MO-magazine. In een artikel over hoe in Mechelen wordt omgegaan met het probleem van radicalisering, zegt u over de salafistische moslims in uw stad het volgende: “Deze jonge mensen zetten zich actief af tegen het geweld in het Midden-Oosten, verzetten zich actief tegen extremisering. Dit wordt ook bevestigd door onze politie en als dusdanig worden ze niet als extremisten beschouwd. Deze mensen willen trouwens duidelijk salafistische moslims zijn binnen en in Mechelen. We merken dus dat salafistische groepen zich, net zoals bijvoorbeeld ultraorthodoxe joden, wel kunnen inpassen in een sociaal-cultureel diverse samenleving…Ik stel vast dat we genuanceerd moeten zijn, toch als we het over salafisme in Mechelen hebben. We beschouwen deze jonge salafistische Mechelaars niet als extremisten. We beschouwen hen wel als radicaal met een heel conservatief-religieuze maatschappijvisie. Daar moeten we niet flauw over doen. Zo ben ik het persoonlijk fundamenteel oneens met nogal wat zaken waar ze voor staan. Maar ze opereren wel degelijk binnen de rechtsstaat en wijzen geweld af.”

Geef toe dat het nogal verwarrend is. Uw politiemensen vertellen u dat de salafistische moslims in Mechelen geen bedreiging vormen, maar wanneer ze hun kinderen thuisonderwijs geven, dan moet de politie hen toch maar geregeld controleren.

Hoe gaat dat dan concreet in zijn werk, meneer Somers? Ik weet wel dat u alle Mechelse agenten een opleiding radicalisering wil geven, maar hoe moet ik me dat voorstellen? Er klopt een arm der wet op een salafistische deur en zegt: goedemiddag, mogen wij even controleren of uw kinderen niet radicaliseren? Volgt er dan een huiszoeking? Worden de kinderen onderworpen aan een verhoor? Welke criteria worden daarbij gehanteerd? Wat wordt zoal beschouwd als een verontrustend signaal? Ik trek het een beetje op flessen, maar ik vraag het me echt af. En gelooft u dat iemand met kwaad in de zin zijn malafide bedoelingen bij zo’n politiecontrole zomaar prijs zal geven? En denkt u dat iemand die zijn kinderen tot gewelddadig extremisme wil aanzetten daar het thuisonderwijs voor nodig heeft?

Wat ik in uw verhaal mis, is de reden waarom het thuisonderwijs de jongste jaren sterk is toegenomen. Uw eerste schepen Marc Hendrickx wist in september vorig jaar in Het Laatste Nieuws al te vertellen dat die toename het rechtstreekse gevolg is van het hoofddoekenverbod in het gemeenschapsonderwijs. Ook hij vond extra controles nodig en zei dat die er ook al waren geweest. Een jaar later wil u er nog eens politionele controles bovenop.

Misschien zou het dus nuttiger zijn om in het parlement de strijd aan te gaan tegen het hoofddoekenverbod. Ik weet dat u geen liefhebber bent van dat verbod. Maar dat is uw persoonlijk standpunt, binnen uw partij is er niet echt eenduidigheid. En wellicht bent u daarom in de praktijk ook niet altijd zo duidelijk. In het verleden heeft u bijvoorbeeld uw schepen van Diversiteit – toen die nog bestond – publiekelijk terechtgewezen omdat hij een actie van moslimmeisjes tegen het hoofddoekenverbod ondersteunde. U vond dat hij daardoor de indruk gaf dat de stad de traditionele islam verdedigde en dat strookte niet met het Mechelse emancipatiebeleid. Verder vind u ook dat de stad zich niet mag bemoeien met het hoofddoekenverbod in Mechelse scholen, omdat de stad geen inrichtende macht meer is. Ik heb de indruk dat u vooral in woorden tegen het verbod bent, maar er verder liever ver vanaf blijft.

Denkt u trouwens niet dat wanneer moslims bovenop het hoofddoekenverbod ook nog eens te maken krijgen met politiecontroles op het thuisonderwijs, hen dat nog meer zal sterken in de overtuiging dat islamitische scholen noodzakelijk zijn? En ook dat is toch iets waar u absoluut geen voorstander van bent.

Ik kan uw voorstel moeilijk rijmen met wat u schrijft in een opiniestuk in de De Standaard van 24 september: “Wie kiest voor een confrontatiebeleid waarbij groepen in de samenleving rechtstreeks of onrechtstreeks geviseerd en uitgesloten worden, geeft alle rattenvangers van het radicalisme alleen maar meer legitimiteit.” Want als moslims die hun kinderen thuisonderwijs geven plots de politie aan de deur krijgen om te controleren of ze hun kroost niet laten indoctrineren door extremisten, kunnen zij dat dan anders ervaren dan als een confrontatie, kunnen zij zich dan anders voelen dan geviseerd?

En daar ligt denk ik de kern van het probleem. Uw voorstel maakt mensen verdacht op basis van een geloofsovertuiging en een onderwijskeuze. Daar wil u een politionele praktijk aan vastkoppelen die bekend is als “ethnic profiling”. Jan Blommaert schrijft daarover: “Het is contraproductief omdat onschuldige leden van een gemeenschap op volstrekt subjectieve gronden als een a-priori vijand worden geselecteerd en aan vernederende en intimiderende veiligheidscontroles worden onderworpen, waardoor men ressentiment en woede uitlokt bij die onschuldigen.”

In de strijd tegen radicalisering heeft u zich altijd gematigd opgesteld. U heeft altijd gewaarschuwd voor nodeloze polarisering. Nadat Parijs voor de tweede keer getroffen werd door terroristisch geweld, heeft u in Mechelen ook voor de tweede keer een mars tegen het extremisme georganiseerd, precies om ervoor te waken dat het in uw stad niet komt tot confrontatie-denken. Ik vrees dat politiecontroles bij thuisonderwijs daarbij geen bevorderend signaal zijn.

Met vriendelijke groeten,

Dirk Tuypens

Noömi

????????????????????????????????????

In de voorbije maand was mijn dochter jarig. “Ik ben drie jaar”, herhaalt ze nu voortdurend, waarbij ze probeert om netjes drie vingertjes op te houden. De tijd raast maar door. En dat groeit maar, als kool. Ze ontroert, vermaakt en verblijdt ons met haar onstuimige kleutercapriolen. En met haar koppig willetje duwt ze ons tot ver over de grens van het ouderlijk geduld.

We hebben onze jongste telg Noömi genoemd. Niet zonder risico. Het was natuurlijk voorspelbaar dat deze naamkeuze voor de nodige probleempjes zou zorgen. Hóe heet ze? Zeg dat nog eens. Hóe spreek je dat uit? Het blijkt voor heel wat mensen niet evident om twee opeenvolgende letters o apart uit te spreken, met de klemtoon op de tweede. Het vraagt misschien een beetje oefening, maar zo moeilijk is het echt niet. Probeer het maar.

Na de fonetische toelichting volgt onvermijdelijk de vraag waar we die naam vandaan hebben. Nogal wat wenkbrauwen gaan spontaan in de frons als ik zeg dat het een bijbelse naam is. Wat, uit de Bijbel? Wat hebben jullie in godsnaam verloren in de Bijbel?

Mijn dochter heeft haar derde verjaardag gevierd in wat ontegensprekelijk een mooie zomer was. Tenminste wat het weer betreft. Want die mooie zomer werd overschaduwd door een nooit eerder geziene vluchtelingencrisis. Een crisis die zonder meer bijbelse proporties aanneemt. In het licht daarvan is het meer dan wenselijk om de naam van mijn dochter toe te lichten.

Je vindt de bijbelse Noömi terug in het Oude Testament, in het boek Ruth. Ik schets kort het verhaal:

Er heerst hongersnood in Bethlehem. Noömi ziet geen andere uitweg dan samen met haar man en hun twee zonen te vluchten naar het land van de Moabieten. Het vreemdelingengezin vindt er een onderkomen. De twee zonen huwen met een Moabitische vrouw. Eén van deze vrouwen luistert naar de naam Ruth. Maar de lijdensweg van Noömi is hiermee niet ten einde. Ze verliest haar man en haar twee zonen. Wanneer de hongersnood in Bethlehem voorbij is, besluit Noömi terug te keren. Ze probeert haar schoondochters te overhalen om in hun land te blijven. Eén van hen gehoorzaamt. Maar Ruth wil niet van haar zijde wijken en reist mee naar Bethlehem. Noömi zorgt ervoor dat Ruth, op haar beurt nu een vreemdelinge, in de plaatselijke gemeenschap wordt opgenomen. Ze kan er leven en werken en huwt met Boaz, een verwant van Noömi’s overleden echtgenoot. Uit dat huwelijk wordt een zoon geboren, voorvader van koning David.

Ik wens mijn dochter natuurlijk geen van de loodzware beproevingen toe die haar bijbelse naamgenote ten deel vielen. Maar in een wereld waarin de vreemdelingenhaat zo onbeheersbaar woekert dat nieuwe inktzwarte bladzijden in onze geschiedenis akelig aanneembaar worden, hoop ik dat het verhaal van Noömi mijn dochter kan inspireren om in te gaan tegen de bekrompen denkbeelden die de angst en de haat voeden. Op zijn minst hoop ik dat het verhaal kan verhoeden dat die denkbeelden ook haar in hun verstikkende greep krijgen.

Een beeld dat blijvend in mijn hoofd spookt, is dat van een dood meisje dat ronddrijft in het helder blauwe water voor de Libische kust. Het dateert al van april. Het ging, zoals dat vandaag de dag gebruikelijk is, de wereld rond. Maar dit verdronken meisje vermocht het niet om een spontane golf van verontwaardiging, medeleven en hulpvaardigheid teweeg te brengen, zoals een aangespoeld lijkje op het strand van Bodrum dat wel kan.

Over het beeld van het dode meisje schrijft de Nederlandse oorlogsfotograaf Teun Voeten: “Het staat symbool voor het gebrek aan verantwoordelijkheid van ouders om een kind zonder zwemvest op een gammele boot te zetten, voor de misdadige mentaliteit van mensensmokkelaars die wanhoop exploiteren. Maar vooral voor de morele chantage waaraan het Westen onderworpen wordt. Vluchtelingen, die zich hulpeloos en berooid op onze stranden gooien, met de boodschap: ‘U dient ons te helpen, ontfermt u over ons. Zo niet dan bent u het predicaat menselijk niet waardig.’”

Teun Voeten verdient een nog in te stellen prijs voor meest cynische commentaar bij uitzonderlijk tragische gebeurtenissen. Waarom trekt iemand met een fototoestel naar de meest gruwelijke oorlogsgebieden, om dan, wanneer de slachtoffers van al die wreedaardigheid een wanhopige queeste naar een vredig leven aanvatten, zo verkrampt en chagrijnig uit de hoek te komen? Iemand moet Teun Voeten dringend vertellen dat hij bloemen moet fotograferen, spelende kinderen, pas gehuwde stelletjes. Te veel ellende voor zijn lens heeft een verbitterd kankeraar van hem gemaakt.

Wat ik zie, is iets helemaal anders. Ik zie een kind dat drie, vier of misschien al vijf vingertjes ophield wanneer het gevraagd werd hoe oud het was, maar dat daar nooit nog een vingertje bij zal tellen. Een kind dat nooit de overkant zal bereiken, een overkant die de belofte inhield van een leven zonder oorlogsgeweld en de ontberingen die daarmee gepaard gaan. Die belofte werd gedoofd met het zoute zeewater dat haar longen vulde. Ik zie een meisje dat, gesteld dat ze de overkant wel had gehaald, op muren van vijandigheid zou gelopen zijn. Van het geweld van oorlog en fanatisme, zou ze terecht gekomen zijn in het geweld van de Europese zelfzuchtigheid, hebzucht en vreemdelingenfobie. Ik zie een kind waarvan de verdrinkingsdood wordt toegejuicht door de koudbloedigheid die over de digitale fora sliddert.

Dat is geen emotioneel gewauwel, het zijn feiten. Alleen vragen ze empathie. Zonder meevoelen worden ze onzichtbaar. Wie niet meer in staat is om de empathische feitelijkheid te zien, is klaar om volgegoten te worden met de valse feitelijkheid van de angst, de haat en de hebzucht.

Ik hoop dat het verhaal achter haar naam mijn dochter van leugenachtige feitelijkheden weg kan houden:

Zodat ze niet voor feitelijk moet nemen dat de talloze vluchtelingen die verdronken in de Middellandse Zee, hun treurige lot zelf gezocht hebben, ze hadden zich maar niet zonder zwemvest op zee moeten wagen. Of dat dode kinderen in het water of op het strand de schuld zijn van onverantwoordelijke ouders. Of dat wij Europeanen ons daar op geen enkele manier schuldig over moeten voelen.

Zodat ze niet moet geloven dat Europa zoveel vluchtelingen niet aankan, dat we daar de middelen niet voor hebben.

Zodat ze niet moet aannemen dat vluchtelingen in ruil voor opvang ingezet kunnen worden voor gemeenschapsdienst of om klusjes op te knappen. Of dat ze als excuus kunnen dienen om arbeidsvoorwaarden, regels en wetten te slopen.

Zodat ze zich niet moet laten wijsmaken dat er tussen al die vluchtelingen heel wat mensen met duistere bedoelingen verstopt zitten, extremisten van IS, die onze contreien alleen maar opzoeken om er dood en verderf te zaaien.

Zodat ze ook niet moet denken dat onze Europese welvaart, cultuur en tradities verdedigd moeten worden met het optrekken van hekken en muren, met hardhandig optreden van politie, met het inzetten van troepen aan onze grenzen, door vluchtelingen de toegang tot onze stations te verbieden, hen op te sluiten in kampen, door wie illegaal onze grenzen oversteekt in de gevangenis te gooien, met het toekennen van een apart statuut aan erkende vluchtelingen, door vluchtelingen sociale rechten te ontzeggen.

De Bijbel is het fundament van de joods-christelijke traditie waarin onze samenleving, ook al is ze seculier, nog altijd gebed is. En dat boek staat vol met verhalen over mensen en volkeren op de vlucht. Voor hongersnood, oorlog, onderdrukking, slavernij. Uit al deze verhalen spreekt het mededogen voor wie onrecht wordt gedaan. Vreemd genoeg trachten rechtse politici en opiniemakers vandaag, precies in naam van die joods-christelijke traditie, het mededogen als naïef gebazel van de hand te wijzen. Gelukkig krijgen ze van steeds meer mensen lik op stuk.

“Ik ben drie jaar”, zegt mijn dochter, en houdt daarbij drie vingertjes in de lucht. Ze heet Noömi. Hopelijk wordt de vraag waar die naam vandaan komt nog veel gesteld en kan het verhaal erachter net zoveel keer verteld worden, zodat duidelijk wordt welke traditie we echt te verdedigen hebben.

Het commerciële offensief tegen de openbare omroep

televisie

Eind dit jaar moeten de Vlaamse overheid en de openbare omroep VRT een nieuwe beheersovereenkomst ondertekenen. In voorbereiding van de onderhandelingen daarover werden eind mei in de Commissie Cultuur, Jeugd, Sport en Media van het Vlaams parlement een aantal hoorzittingen gehouden. Daar werd onder meer geluisterd naar de standpunten en aanbevelingen van belangrijke spelers op de commerciële mediamarkt. Zo maakten de CEO’s van de grote mediagroepen SBS, Medialaan, De Persgroep en Mediahuis hun opwachting. De passage van deze heren draaide uit op een gênant vertoon van onverhulde afgunst en hebzucht. De concurrentieslag op zijn pijnlijkste best.

De CEO’s hadden natuurlijk ook wel wat bloemetjes bij voor de VRT. Ze lieten niet na de openbare omroep te danken voor alles wat die voor het medialandschap heeft betekend. Maar na de kortstondige loftuitingen werden onverwijld de gewette messen bovengehaald. “De VRT verstoort de markt”, klinkt het eensgezind. Het succes van het digitale platform van de openbare omroep, de reclame-inkomsten, amusement en sport op de publieke zenders…het zit de commerciële bonzen allemaal flink dwars. Ze voelen zich bedreigd op wat ze beschouwen als hun exclusieve en nu al overbevolkte terrein. Reden genoeg voor een gezamenlijk offensief om de VRT in een hoekje te drummen.

Schaamteloze inhaligheid

Een eerste doorn in het oog van de commerciële spelers is het feit dat de VRT, zij het dan in beperkte mate, inkomsten vergaart uit online reclame. Philippe Bonamie, CEO van SBS, maakt zonder omwegen duidelijk waarom: “Elke euro die de VRT uit de reclamemarkt haalt, is er een die wij niet kunnen binnenhalen.” Ook Peter Bossaert, CEO van Medialaan, is glashelder: “De concurrentie van een overheidsbedrijf op deze groeimarkt kunnen we missen als kiespijn.”

Schaamteloze inhaligheid dus. Krantengroepen en televisiebedrijven zien de inkomsten van online reclame stijgen. Het is wat ze noemen “het enige lichtpuntje” in de reclamewereld. En dus willen ze liefst dat de openbare omroep voortaan geen reclame-activiteiten meer mag uitoefenen. Ook niet een beetje. “Het huidige reclameplafond van de VRT behouden, zou al betekenen dat de VRT een groter deel van de markt zal opeisen”, zegt Peter Bossaert. Erg cynisch voegt hij er aan toe dat reclame bij de VRT betekent dat de besparingen die het overheidsbedrijf moet slikken, afgewenteld worden op de commerciële spelers.

Dat inkomsten uit reclame een spijtige maar noodzakelijke compensatie zijn voor steeds dalende overheidsmiddelen, daar hebben de CEO’s uiteraard geen oren naar. Dat de VRT in 2015 maar liefst 22 miljoen euro moet inleveren en in de komende jaren het budget nog meer zal zien krimpen, is hen vast even ontgaan.

Volgens Philippe Bonamie is de oplossing eenvoudig: “Wanneer de VRT zich met zijn dotatie concentreert op zijn kerntaken, is er geen nood aan extra commerciële inkomsten.” Voor Bonamie en zijn collega’s ligt de kernopdracht van de VRT in een aanbod van nieuws en cultuur. Ontspanning en sport zijn het terrein van de commerciële spelers. Opmerkelijk in het debat over reclame is het standpunt van de Unie van Belgische Adverteerders (UBA). Zo opmerkelijk dat topman Chris Van Roey het zelf bizar noemt. De adverteerders vinden dat ze niet genoeg bereik hebben op de televisiezenders, omdat de VRT een dominant marktaandeel heeft. Men zou dan ook verwachten dat ze zouden pleiten voor meer publiciteitsruimte bij de VRT. Maar dat doen ze uitdrukkelijk niet. “Omdat dat niet opportuun zou zijn voor de financiële gezondheid van de commerciële zenders”, zegt Chris Van Roey. “We begrijpen dat de commerciële zenders hun verlies aan inkomsten vandaag willen goedmaken op het online-segment. Daar is voor ons adverteerders ook geen schaarste. We kunnen er alle doelgroepen bereiken, ook zonder de VRT.” De UBA, die in het verleden wél pleitte voor extra reclame bij de openbare omroep, maakt hier een duidelijk ideologische keuze. Ook al heeft de openbare omroep het grootste publieksbereik, toch wedden de adverteerders liever op de commerciële zenders. Er moet maar eens wat gedaan worden aan dat marktaandeel van de VRT.

Ook subsidies voor de commerciële spelers

Een ander pijnpunt in het debat wordt gevormd door de jaarlijkse dotatie die de VRT van de Vlaamse overheid krijgt. De CEO’s van de commerciële huizen spreken hier natuurlijk liever over subsidies, een woord dat ondertussen bijna overal begrepen wordt als gratis geld voor nutteloze dingen – lees: dingen die niet genoeg opbrengen.

Het feit dat de VRT werkingsmiddelen van de overheid krijgt en daarnaast ook inkomsten uit reclame verwerft, wordt al snel bestempeld als concurrentievervalsing. “Die rijkelijke dubbele financiering leidt tot een opbod in de prijzen”, weet Philippe Bonamie. “Wij komen wekelijks in situaties waarin we het financieel moeten afleggen tegen de VRT in de aankoop van programma’s.”

Maar de heren hebben wel een suggestie. Philippe Bonamie vraagt zich namelijk af waarom alleen de VRT subsidies krijgt. Ook de commerciële spelers zouden volgens hem overheidssteun moeten krijgen, omdat ze immers gelijkaardige programma’s maken. Voor deze suggestie krijgt Bonamie steun van John Porter, de uit Australië geïmporteerde CEO van Telenet. In De Morgen van 5 juni zegt die: “Als de overheid gelooft dat televisie een belangrijk middel is om de Vlaamse cultuur en de eigen taal te bewaren, zou ze de publieke financiering niet alleen voor de openbare omroep moeten reserveren.”

De VRT krijgt in 2015 een dotatie van 277 miljoen euro. Daarmee is het een van de goedkoopste openbare omroepen van Europa. Daarnaast geeft de federale regering wel een jaarlijkse subsidie van 400 miljoen euro aan de papieren pers – aan de grote persgroepen dus. Tegenover dat enorme bedrag staat geen enkele kwalitatieve voorwaarde. Maar deze verhouding wordt makkelijkheidshalve maar even vergeten.

Samengevat luidt het advies van de CEO’s als volgt: de VRT mag geen modern digitaal platform uitbouwen, moet een nichezender worden voor nieuws en cultuur, mag geen inkomsten uit reclame halen en moet de slinkende overheidsmiddelen delen met de commerciële spelers. En toch zeggen ze allemaal uitdrukkelijk dat ze voor een sterke openbare omroep zijn.

Achter slot en grendel

In het betoog van de CEO’s draait alles rond de bescherming van hun businessmodel, wat sterk onder druk zou staan. Of in de wat fraaiere bewoordingen van Gert Ysebaert, CEO van Mediahuis: “de bezorgdheid om het ecosysteem van het Vlaamse medialandschap.” Maar hoe ziet dat businessmodel er dan wel uit?

Voor de geschreven media volstaat het een blik te werpen op de websites van kranten en tijdschriften binnen de grote mediagroepen. Overal verdwijnt de inhoud steeds meer achter een betaalmuur. Het model is duidelijk: wie informatie wenst, moet er voor betalen. Een openbare omroep die via een digitaal platform gratis nieuws en duiding brengt, is daarom een stoorzender.

Wat de televisiezenders betreft, is het opnieuw Telenet-baas John Porter die verheldering brengt: “Met een goed door de overheid gefinancierde VRT zijn commerciële zenders verplicht om hen te volgen met zelfgemaakte programma’s. Alleen is er onvoldoende schaal om al die programma’s te maken en rendabel te maken.” Een publieke omroep die op de markt een leiderspositie inneemt, verplicht de commerciële zenders dus om kwalitatief bij te benen. Maar dat kost hen veel meer geld dan hen lief is. Zonder die sterke VRT kunnen ze veel goedkopere producten op de buis gooien en veel meer winst boeken. Telenet wil ook dat de VRT een aantal producties eerst aanbiedt via betaal-tv en dan pas uitzendt op Eén of Canvas. Ook de televisiewereld droomt van betaalmuren.

Politieke steun

Het hierboven omschreven businessmodel kan op heel wat steun rekenen op de politieke banken. Open Vld voert met mediaspecialist Bart Tommelein al jaren een openlijke strijd tegen wat ze de overdominantie van de openbare omroep noemt. De partij leverde in de Vlaamse regering met Sven Gatz ook de bevoegde minister. Ook hij benadrukt dat de VRT uit het vaarwater van de commerciële spelers moet blijven. Bovendien is het voor hem geen taboe om een deel van het digitale platform van de VRT betalend te maken. Verder wil de minister ook dat de VRT het aandeel van amusement en sport in de programmatie inperkt.

Ivo Belet (CD&V) spreekt zich eveneens uit voor betalende informatie: “Als er een goed interview staat in De Morgen of De Standaard, wil ik dat deredactie.be daar reclame voor maakt, er twee zinnen uit geeft en me zin geeft om het te lezen. Ook al moet ik daar dan voor betalen.”

Maar wellicht de meest rabiate politieke stem tegen de openbare omroep is Siegfried Bracke (N-VA). De Kamervoorzitter haalt zowat alles uit de kast om het cliché te bevestigen van een steriel openbaar bedrijf dat bevolkt wordt met suffe ambtenaren die de hele dag op hun luie krent zitten en elke maand langs de gulle overheidskassa passeren. Zo beweerde Bracke onlangs dat de vakbonden bij de VRT beschikken over een ellenlange lijst van “uitgebluste” personeelsleden die eigenlijk niets meer doen maar toch doorbetaald worden. Een nieuwtje dat door de vakbonden ten stelligste wordt ontkend. Volgens Bracke is er bij de VRT ook weinig innovatie en creativiteit te bespeuren. Dat ziet hij allemaal vooral aan de kant van VTM. Daarmee raakt Bracke aan nog een ander belangrijk motief voor het offensief tegen de VRT. Een publieke omroep in een leiderspositie ondermijnt immers de mythe dat innovatie, creativiteit en leiderschap per definitie alleen gevonden kunnen worden op de commerciële markt.

Een sterke en gulle publieke omroep

Waren er dan op de hoorzittingen in het Vlaams parlement geen stemmen die vòòr een sterke openbare omroep pleitten? Toch wel, maar in de door Mediahuis en De Persgroep beheerde kranten en zelfs – o, ironie – in het VRT-nieuws werden die eenvoudig genegeerd.

Zo was er onder meer een tussenkomst van Tim Raats, docent Politieke Economie van de Cultuurindustrieën. Hij doctoreerde met een studie over de rol en de positie van de openbare omroepen in de hedendaagse samenleving. Raats laat een heel ander geluid klinken: “Publieke omroepen hebben de mogelijkheid om een uniek knooppunt te zijn in een steeds complexer wordend medialandschap. In een met – vaak commerciële – informatie overladen wereld kan de publieke omroep zich meer dan ooit opwerpen als gids voor betrouwbaarheid en kwaliteit en als essentiële link met publiek en samenleving.”

Een gelijkaardig geluid kwam van Gie Goris, voorzitter van Media.21, een koepel van digitale en onafhankelijke media (waaronder DeWereldMorgen, Newsmonkey, Apache, MO en rekto:verso). Ook Media.21 ziet de openbare omroep als een belangrijke motor om de kwaliteit en de diversiteit van het medialandschap te garanderen: “De openbare omroep zou zich veel sterker moeten profileren als kennis- en innovatiedraaischijf voor een beter en blijvend relevant medialandschap in Vlaanderen.”

“Het heeft geen zin te investeren in een omroep en die dan de handen op de rug te binden om er toch maar voor te zorgen dat hij niet succesvol zou zijn”, zegt Gie Goris. In tegenstelling tot de commerciële spelers pleit Media.21 er dan ook voor dat de openbare omroep volop inzet op het ontwikkelen van vernieuwende mogelijkheden. Het uitbouwen van een sterk digitaal platform is daarbij prioritair. “Wij denken dat een open, sterke en gulle openbare omroep een belangrijk instrument wordt om het pluralistisch karakter van het medialandschap in Vlaanderen te garanderen en te voeden. Dat is een belangrijke opdracht voor de overheid, zeker nu de toenemende concentratie van media-eigenaarschap de pluraliteit van perspectieven in de Vlaamse media bedreigt.”

Een overheid die de democratie ernstig neemt, investeert ruimschoots in een publieke omroep. Een omroep die zichzelf ook voortdurend kritisch bevraagt over zijn rol en de manier waarop die wordt ingevuld. Wanneer het medialandschap gedomineerd wordt door commerciële spelers, resulteert dat in een door winstbejag ingegeven kwalitatieve verschraling en een afbraak van de noodzakelijke veelstemmigheid. Dat laatste wordt op ironische wijze duidelijk geïllustreerd door de berichtgeving over de hoorzittingen rond de toekomst van de VRT.

(Dit artikel verscheen eerder in het juli-nummer van Solidair)

Een geschenk voor Theo Francken

642x999_7656631

Morgen gaat het op de post. Mijn geschenk voor Theo Francken, staatssecretaris voor Asiel en Migratie. Ik moet toegeven dat het niet bepaald rijkelijk oogt. Het is niet meer dan een grote bruine envelop met tweeëntwintig kopieën en een begeleidend briefje erin. U begrijpt, het gaat niet zozeer om de materiële of geldelijke waarde, maar om wat de staatssecretaris, mits enige welwillendheid, op die luttele bladzijden kan lezen. Hij mag het beschouwen als een helpende hand, iets waar zijn partij dezer dagen toch nogal tuk op is. Een helfie dus.

Ik stuur Theo Francken een kopie van een toneeltekst. Eentje uit de hele oude doos. “De Smekelingen”, zo luidt de titel, is namelijk van de hand van de Griekse toneeldichter Aeschylos. De tekst dateert waarschijnlijk van het jaar 463 voor Christus.

Het stuk opent wanneer een koor van vijftig dochters van Danaüs, in Egyptische kledij, voor de poorten van de Griekse stad Argos staat. De koorleidster spreekt als volgt:

Zeus, die de smeeklingen hoedt, zie goedgunstig
onze vluchtende schaar, die in zee stak
aan het zandige deltagebied
van de Nijl. Wij ontkwamen
uit ’t heilige Zeusland, dat Syrië begrenst,
niet door rechtspraak aldaar van het volk
om bloedschuld verjaagd in verbanning,
maar uit afschuw voor mannen uit ’t eigenste bloed
verfoeien wij de echt met Aegyptus’ zonen
en hun goddeloos begeren.
’t Was vader Danaüs, die ons raadde
en aandreef tot opstand. Hij stelde, na wijs overleg,
als eervolste keuze in de nood:
overhaastige vlucht door de golvende zee
met landing in Argos, vanwaar ons geslacht
zich beroemt eens ontsproten
te zijn door de adem van Zeus
en de streling deer horzelgejaagde koe.
Hadden wij ooit in goedwilliger land
kunnen komen dan dit, met in ons handen
de wolomwonden takken der smeeklingen?
Moge de stad met haar grond en heldere wateren,
de goden daarboven en die onder de aarde
als goden der wraak hun graven bezetten,
ten slotte de reddende Zeus, die de huizen
hoedt van de vromen, ontvangen
in ’s lands adem vol deernis
de smeeklingen-schare der vrouwen.

Het is het begin van een fascinerende tragedie over een vluchtelingencrisis en hoe de autoriteiten in de oud-Griekse stadstaat Argos die beantwoorden. Het zou Theo Francken dus wel eens kunnen interesseren. Mogelijk zou het hem zelfs kunnen inspireren, maar dat laatste is erg voorwaardelijk.

Ik schets even het verloop van Aeschylos’ tragedie. Er staat dus een groep van vijftig dochters van Danaüs (neem dat niet al te letterlijk) voor de poorten van de stad Argos. In hun thuisland, grenzend aan Syrië, hebben ze het ruime sop van de Middellandse Zee gekozen om koers te zetten naar Griekenland. Niet voor een plezierreisje, maar noodgedwongen. De zonen van Aegyptus willen de vrouwen immers tot een huwelijk dwingen. Om dat noodlot te ontlopen, hebben de vrouwen gekozen voor een haastige vlucht over de onstuimige golven. Does it ring a bell?

Pelasgus, koning van Argos, treedt de smekelingen tegemoet en wil van hen weten wat hen naar Griekse bodem brengt. Nadat ze hem duidelijk hebben gemaakt wat hen tot hun reis bewogen heeft, besluit Pelasgus een volksraadpleging te houden. Het volk zal beslissen of de groep vluchtelingen in Argos al dan niet een veilig onderkomen zal vinden.

Danaüs, vader van de onfortuinlijke vijftig vrouwen (neem dat alsjeblief niet al te letterlijk), kan zijn dochters het volgende resultaat melden:

‘t Besluit viel bij de Argeiërs zonder weifelen,
zo dat mijn oude geest zich heeft verjongd gevoeld.
Het luchtruim trilde, toen eenstemmig ‘t volk zijn hand
omhoogstak om dit voorstel te bekrachtigen:
‘dat wij als vrijen zouden wonen in dit land
en onaantastbaar zijn, onschendbaar voor elkeen.
Geen landbewoner of geen vreemdeling mag ons
wegvoeren, en, zo iemand ooit geweld gebruikt,
dan wordt, wie van de burgers niet ter hulpe komt,
eerloos verklaard, door ‘t volk gebannen uit dit land!’
Dat was de rede, die te onzen gunste hield
de vorst Pelasgus, manend dat de stad voortaan
nooit meer de zware toorn opwekken zou van Zeus
die ‘t gastrecht hoedt; tweevoudig, zei hij, was de vloek
(op gast en landsvolk), die zou komen op de stad,
als beest dat nooit van lijden zou verzadigd zijn.
Dit horend, en nog voor de oproep van de heraut,
stak Argos’ volk de handen op: zo zou het zijn!

Aeschylos schreef met “De Smekelingen” geen fantasie over een idyllisch vluchtelingenparadijs. De koning van Argos worstelt immers met bekommernissen en overwegingen die uitermate actueel voorkomen. Wanneer hij de groep vrouwen voor het eerst ontmoet, stelt hij:

Ik zie, beschaduwd onder takken vers geplukt
een vreemde schare voor de goden van mijn stad.
Als maar de zaak van vreemde burgers ons geen leed
bezorgt, zodat er onverhoopt en onvoorziens
nog strijd uit voortkomt: daaraan heeft de stad geen nood.

En ook de mogelijke consequenties voor zijn eigen positie laten de koning niet onberoerd. Tot vader Danaüs zegt hij:

Gij die de grijze vader dezer meisjes zijt,
neem vlug die takken in uw armen, en leg die
op andere altaren van landsgoden neer,
opdat de burgers allen van uw aankomst hier
‘t bewijs zien, en geen woord van smaad geslingerd wordt
naar mij. Want graag wijt ‘t volk aan de oversten de schuld.

Het is dus zeker niet zo dat de onderdanen van Pelasgus geen argwaan kennen ten aanzien van vreemdelingen. En het is ook niet zo dat de koning zijn eigen machtspositie niet bedreigd weet door de komst van een groep bootvluchtelingen. Maar het vooruitzicht van mogelijke maatschappelijke onrust en verlies aan autoriteit weerhouden Pelasgus niet om de enige rechtvaardige keuze te maken:

Ik ga en roep de volksvergadering bijeen
om hen te stemmen tot welwillendheid voor u.

En het volk besluit ook om de smekelingen die welwillendheid te gunnen, zodat de koning hen kan zeggen:

Gij allen met de dienaressen, uw gevolg,
vat moed, begeeft u naar de goed omheinde stad
die in haar hoge vestingwerk besloten ligt.
Veel huizen zijn daar, die behoren aan de staat.
Voor mijn behuizing werd met milde hand gezorgd.
Daar kunt gij vrij in klaargemaakte woningen
met veel andren wonen, of, zo gij ‘t verkiest,
kunt gij een éénpersonenhuis betrekken ook.
Wat daarvan ‘t beste en het wenselijkste lijkt
staat te uwen dienste. Kiest. Beschermheer ben ik zelf
met al de burgers, – van wie de beslissing hier
wordt uitgevoerd.

Het verschil tussen de koning van Argos en onze staatssecretaris Theo Francken kan niet groter zijn. Pelasgus trotseert de waan van de dag en treedt zijn volk tegemoet met een pleidooi ten gunste van wie op de vlucht is en beschutting zoekt in zijn stad. Francken daarentegen cultiveert alleen maar de heersende waan dat vluchtelingen onze welvarende westerse samenleving komen ondermijnen en bijgevolg met alle mogelijke middelen van onze Europese kusten moeten worden geweerd.

Volgens Francken leiden reddingsoperaties op zee alleen maar tot meer vluchtelingen. Dat moeten we dus zeker niet doen. Het probleem is in essentie een probleem van mensensmokkelaars, weet de staatssecretaris. Alles is dan ook opgelost als we die smokkelaars uitschakelen. Daarom wil Francken vooral inzetten op het vernietigen van boten. En dat liefst in Lybië. Want het vernietigen van boten na aankomst in Europa heeft volgens hem geen zin, want dan zijn ze er immers al. Het optrekken van de budgetten voor ontwikkelingshulp is ook geen optie, zegt Francken. Ontwikkelingshulp vindt hij maar relatief. Meer hulp is volgens hem geen garantie op minder vluchtelingen. Hij ziet alleen heil in een krachtdadig terugkeerbeleid en het opzetten van een stabiel regime in Lybië. Dat regime moet er dan maar voor zorgen dat er geen mensen meer kunnen vertrekken. En ja, ondertussen wil de heer Francken wel een tikkeltje meer doen voor de duizenden vluchtelingen die dagelijks in gammele vaartuigen de oversteek naar Europa wagen. Hij wil zowaar tweehonderdvijftig opgeviste drenkelingen een plekje geven in ons land. Op voorwaarde natuurlijk dat daarover Europese afspraken worden gemaakt. Bovendien wil hij ook niet dat asielzoekers evenredig verdeeld worden over de Europese landen. Nee, Italië moet de overvloedige toestroom zelf maar bolwerken.

“Nooit meer Lampedusa!”, riepen de Europese leiders een paar jaar geleden eensgezind ontzet. Nooit willen we in Zuid-Europese kustwateren nog de lijken zien drijven van mannen, vrouwen en kinderen die hun odyssee over de Middellandse Zee met de verdrinkingsdood bekochten. Nooit willen we die gezwollen, in lompen gehulde kadavers nog zien aanspoelen op onze stranden, waar onze badgasten aan hun kleurtje werken, in het zand spelen en in de golven plonsen.

En toen bedachten ze maar dat het beter was om overboord gesukkelde waaghalzen niet langer te hulp te snellen. Vanwege het aanzuigeffect. Want wie een helpende hand in het woelige zeewater steekt, weet dat er voor elke vinger ergens wel iemand aan boord van een overvolle, tot zinken gedoemde schuit wordt geduwd. Het vooruitzicht van een zeer waarschijnlijk einde op de zeebodem, dat zou menig gelukzoeker wel op andere gedachten brengen.

En toen lag de zee plots opnieuw bezaaid met dode mensen. Niemand kon nog zeggen hoeveel wanhopige zielen ze nu al had opgeslokt. Zelfs de minste hoop bleek sterker dan de angst voor het zeemansgraf. De Europese leiders zaten met de handen in het haar. Ze wisten niet meer wat gedaan. “We hebben onszelf niets te verwijten”, zei de een. “We kunnen ze toch niet allemaal opvangen, we doen al wat we kunnen. Moeten we misschien tussen Afrika en Europa een veerpont installeren?” “Ze hadden maar niet zoveel risico’s moeten nemen”, zei een tweede. “Als ze de zee over willen zonder zwembrevet, dan moeten ze het zelf maar weten.”

Theo Francken sluit zich volledig aan bij deze logica. Hoe meer er verzuipen, hoe liever. Wie de oversteek levend haalt, zo snel mogelijk terugsturen. En vervolgens met bruut geweld elke toegang tot Europa afsluiten.

Een groot staatsman hebben we voorlopig aan Theo Francken niet verloren. Hij huilt maar wat mee met de wolven en probeert krampachtig de Europese harteloosheid voor te stellen als de enig mogelijke en waarachtig humane beleidsoptie. Daarom waag ik het maar hem die bruine envelop te sturen met een kopie van “De Smekelingen”. Heel misschien zal de staatssecretaris dan begrijpen dat een volkomen andere grondhouding ook tot de mogelijkheden behoort. Aeschylos geeft in zijn tragedie een prachtig voorbeeld van waarlijk groot staatsmanschap. In een van de moeilijkste maatschappelijke en politieke kwesties, kiest de koning van Argos voor een zo breed mogelijk debat en toont hij de moed om grote risico’s te nemen, in het belang van de zwaksten.

Ons land heeft nood aan een hedendaagse Pelasgus. Iemand die zijn politieke nek uitsteekt en de bevolking overtuigt van de noodzaak om onze grenzen open te stellen voor de wanhopigen van deze wereld. Iemand die geen genoegen neemt met “we doen al zoveel”, maar die onomwonden durft te zeggen: “We doen veel te weinig.” Iemand die alles in het werk stelt om mensen ervan te overtuigen dat we die medemenselijkheid verschuldigd zijn aan wie het in deze wereld niet zo fortuinlijk getroffen heeft als wij zelf. We hebben nood aan een verantwoordelijk man of vrouw, die net als Pelasgus kan zeggen:

Ja, hier is nood aan diep en heilzaam overleg,
net als een duiker ook de diepte in moet gaan
met klare blik die door geen wijn vertroebeld is,
opdat dit zonder schade eerst voor onze stad
en voor mij zelf ten slotte goed verlopen mag,
en dat het tot geen strijd van onderpanden komt.
Neen, ‘k wil u niet, die voor de altaren zijt geknield,
uitleveren, een alvernietigende god,
de Wraakgeest, nemen als mijn boze huisgenoot,
hij die zelfs in de Hades niet zijn doden lost.
Heb ik geen nood dan, zeg, aan heilzaam overleg?

Pinguins in Brussel – kleine impressie van de Grote Parade

pinguin

Het was natuurlijk zo voorspeld. Maar stiekem hoopten we toch op een mirakeltje. We weten natuurlijk beter. Goddelijke tussenkomsten zijn niet meer van deze tijd. En onze uurwerken op zomer zetten, heeft ook niet mogen baten. Het is gewoon geen weer.

Voor het Noordstation is er maar één gespreksonderwerp: dat het toch wel triestig is, waarom moet de tot nu toe guurste voorjaarsdag uitgerekend vandaag vallen? We kunnen het wel schudden, hier komt niemand door. We zullen al blij mogen zijn als er een paar duizend mensen komen opdagen. Er zal in regeringskringen heimelijk nogal wat gegniffeld worden: daar gaat de parade, het water in.

Niets aan te doen, concluderen we maar als rechtgeaarde Belgen. Kom zeg, we hebben nu al zoveel doorstaan. Onze regeringen trakteren ons dagelijks op een koude douche. Een maartse bui kan er ook nog wel bij. We trekken onze kraag nog wat rechter en zoeken onze plek op de Koning Albert II Laan. Dan is het wachten, tot het moment waarop de Grote Parade zich in gang zet. Zolang proberen we zo goed en zo kwaad het kan om het nog een beetje droog te houden.

Het wordt snel duidelijk dat we ons vergist hebben. Ze komen er wél door. Uit de richting van het station komen steeds grotere groepen mensen aanrukken. De menigte zwelt zienderogen aan. En als de parade eindelijk op gang getrokken wordt, kan iedereen het aan zijn intussen vochtige tenen voelen: we zijn met verdomd veel. Weer of geen weer, dit is nu al memorabel.

Het wordt wel wat meer dan een maartse bui wat we moeten trotseren. De wind komt steeds sterker en venijniger opzetten en zweept de niet aflatende regen over ons heen. Nu ben ik verre van een zweverig mens, maar toch vraag ik me af of we dit niet allemaal zelf veroorzaken. In metaforische zin, wel te verstaan. Nee nee, alstublieft geen goddelijke tussenkomsten en al zeker geen vrijgekomen innerlijke energieën die mekaar vinden in hogere regionen. Maar verdomd veel mensen kunnen verdomd veel in beweging zetten. Zou deze parade dan geen stormwind kunnen opwekken? Is het dan niet de hartstocht van verdomd veel mensen die ons hier om de oren giert?

Kort voor het Centraal Station krijgen we de volle laag. Paraplu’s worden binnenstebuiten getrokken, spandoeken lijken plots bolle scheepszeilen, mensen houden zich vast aan de touwtjes van hun regenkap. Aan de kant van de weg, tegen de huizengevels, zoeken ze in drommen een beetje beschutting.

Ik moet denken aan pinguins. Keizerpinguins op de zuidpool. Elk jaar trekken ze in lange rijen door het desolate ijslandschap naar hun geboorteplaats, om er te broeden en hun nakomelingen ter wereld te brengen. Onderweg trotseren ze de hevigste sneeuwstormen. Als het weer al te bar wordt, houden ze halt en gaan dicht tegen mekaar aan staan. Zo houden ze zichzelf en elkaar warm. De pinguin die de groep uit het oog verliest, verdwaalt in de eindeloze witte vlaktes en is ten dode opgeschreven.

De vele verslaggevers, die met camera’s en microfoons door de menigte bewegen en lukraak om tekst en uitleg vragen, zou ik willen doorverwijzen naar de zuidpool, waar de keizerpinguins een helder antwoord geven op al hun vragen. Het is eenvoudig. Er bestaat wel degelijk zoiets als een samenleving, er zijn niet alleen maar individuen. We zijn kuddebeestjes. Niemand redt het in z’n eentje. Solidariteit is geen zeemzoete dromerij bij het kampvuur, maar het rationele besef dat we zonder een goed uitgebouwd zorgsysteem verloren zijn. Zonder solidariteit raken veel te veel mensen op de dool. Bij solidariteit komt heel wat eigenbelang kijken, maar altijd in de erkenning dat dit eigenbelang tegelijkertijd ook een algemeen belang is. Daarom lopen hier zo verdomd veel mensen door Brussel te paraderen.

Als de parade haar traject gelopen heeft, duikt ze het station in, om tal van treinen te vullen en uit te zwermen naar alle uithoeken van het land. Verdomd veel kletsnatte pinguins, die zich gedurende enkele uren aan elkaar gewarmd hebben en nu gaan broeden op nog meer stormachtige initiatieven.

Dit doorweekte paradevolkje mag wel bedacht worden met een streepje Shakespeare, iets uit “De Storm”, wellicht het laatste toneelstuk dat good old Willy in zijn leven neerschreef: “O wonder! Wat ’n schitterende wezens hier! Wat is de mensheid mooi! O, prachtige, nieuwe wereld waar zulke mensen leven!”

Bric à Bracke in Gent

Er woedt een storm rond Bart De Wever. Niets nieuws. Hij behoort nu eenmaal tot het genre politicus dat het moet hebben van goedkope ik-zeg-het-zoals-het-is-uitlatingen met een hoog sensatiegehalte. Zonder op tijd en stond een mediastorm voelt hij al snel elke grond onder zijn voeten wegzakken.

De Weveriaanse stormen zijn altijd berekend, de winst is vooraf nauwkeurig uitgeteld. Zelfs als het gaat om uitspraken die het bruine randje ver overschrijden. Dat krijg je nu eenmaal als je zowat het voltallige personeel en electoraat van de eigen-volk-eerst-vrienden opeet. Dat zorgt voor zure oprispingen die nogal sterk ruiken naar lauw geserveerde 70 punten-prak. Je kan niet blijven volhouden dat je die andere partij weliswaar leegzuigt, maar verder niets te maken hebt met het gedachtengoed ervan.

Als het stormt rond De Wever, komen de andere tenoren van de N-VA vanzelf in zijn slagschaduw te staan. En zo wordt ondertussen al bijna vergeten dat slechts enkele dagen voor De Wever zijn racistische stormpraat verkocht, in Gent Siegfried Bracke al een flinke inkijk gaf in hoe de N-VA zoal denkt over discriminatie en racisme. Hij ging er tekeer als een duivel in een wijwatervat omdat het Gentse stadsbestuur aankondigde dat het bedrijven, interimkantoren en verhuurders wil controleren op discriminatie.

Wat verhuurders betreft, lanceerde Bracke deze merkwaardige redenering: “Verhuurders willen niet alleen dat de huur wordt betaald, maar ook dat het pand in prima staat blijft verkeren. Men verwart discriminatie met selectie.”

Nu kunnen we van Siegfried Bracke misschien veel zeggen, maar dat hij een onverstandig man is, dat geloof ik allerminst. Zou de kamervoorzitter dan werkelijk niet begrijpen dat selectie nu net de kern is van elke discriminatie? Bij discriminatie gaat het altijd om het selecteren van mensen op basis van negatieve eigenschappen die aan bepaalde groepen worden toegeschreven omwille van afkomst, geslacht, overtuiging, geaardheid, religie. De selectiecriteria die Bracke hier aanhaalt, horen daarin thuis. Heel wat verhuurders weigeren hun pand te verhuren aan mensen die tot bepaalde groepen behoren, omdat ze ervan uitgaan dat mensen uit die groepen “de huur niet betalen en het kot afbreken”. Maar voor Bracke heeft dat met discriminatie niets te maken. Dus als Mohamed voor de zoveelste keer op rij te horen krijgt dat de woning nu toch wel toevallig net vijf minuten geleden verhuurd werd en hij zich gediscrimineerd voelt, dan is hij gewoon verward. Het is immers alleen maar onschuldige selectie, omdat de verhuurders bij het zien van zijn tronie of het horen van zijn naam meteen het bankroet en een verkrotte woning vrezen.

Nee, Bracke is geen onverstandig man. Maar hij gaat er al te graag van uit dat het publiek dat wel is. Hij gelooft dan ook al te lichtzinnig dat hij dat publiek met dit soort bric à Bracke redeneringen om de tuin kan leiden. Hij wil het voorhouden dat het N-VA programma niets te maken heeft met discriminatie, maar alles met legitieme selectie.

Wel, meneer Bracke, het programma van uw partij draait inderdaad om selectie. Wie krijgt een job en wie niet, wie mag een woning huren en wie niet, wie is welkom en wie niet, wie mag hoger onderwijs volgen en wie niet, wie is een Vlaming en wie niet, wie krijgt een uitkering en wie niet, wie wordt geholpen en wie niet, wie krijgt asiel en wie niet, wie mag sociaal wonen en wie niet, wie heeft toegang tot het gerecht en wie niet, wie betaalt belastingen en wie niet, wie mag zijn mening geven en wie niet, welke migrant is nuttig en welke niet, wie is een hardwerkende Vlaming en wie een profiteur, … Allemaal selectie, meneer Bracke, maar ook allemaal discriminatie. Noch kromme redeneringen, noch een De Weveriaanse storm kunnen dat verhullen.

Voor een nieuwe cultuuromslag

(toespraak van 15 maart 2015 voor Hart boven Hard Klein-Brabant)

Goedenavond,

ik wil het hier vanavond, binnen de mij toegemeten tijd, hebben over het thema rijkdom. Daarmee kunnen we uiteraard heel veel kanten uit. Maar omdat ik iemand ben die tot de culturele sector behoort, zal ik die culturele sector ook als kader nemen.

Een tijd geleden liet Gert Verhulst, CEO van Studio 100, zijn licht schijnen op de idee van een vermogensbelasting. Hij zei daarover dit: “Een ondernemer draagt af en investeert, ook in de wetenschap dat als hij later ooit aandelen verkoopt, hij niet belast zal worden op de meerwaarde. Dat zijn de wettelijke regels van het spel. Je kunt niet zeggen: we verwachten van u dat u veel betaalt, dat u mensen aan het werk zet, uw nek uitsteekt, maar alles wat u verdient, pakken we daarna af. Ik schets nu een karikatuur, maar ja, dat is iets waar ik bang voor ben. Je moet mensen het recht geven om rijk te worden. Dat is de motor van de economie. Geef mensen die willen ondernemen en risico’s nemen de kans om rijk te worden. Laten we daar niet vies van zijn.”

U weet het misschien niet, maar ooit koesterde Verhulst nog de ambitie om acteur te worden. Hij trok daarom naar de toneelschool van Dora Van Der Groen om er zijn kans te wagen. Maar Dora zag niet meteen het verhoopte talent en stuurde hem wandelen. Was het toen anders gelopen, dan stond Gertje nu misschien hier, om het op te nemen voor een bloedende cultuursector. Een sector die met de dag meer en meer wordt afgeschilderd als overbodige luxe. Een sector die bevolkt zou worden met wereldvreemde en vooral luie lieden, die voortdurend bedelen om gratis geld. U weet wel: subsidie. Of zoals Roland Duchatelet, de CEO die in voetbalclubs handelt, het vorige week nog stelde: “geld waarvan iedereen weet dat het nergens toe dient.”

De droom van een acteurscarrière moest hij dan wel achter zich laten, maar Verhulst bleef geenszins bij de pakken zitten. Creatief en ondernemend als hij was, zocht en vond hij zijn eigen weg. Als die overdadig gesubsidieerde wereld van het toneel hem niet moest, dan werd hij maar omroeper bij de televisie. Met zijn toen nog erg jeugdige voorkomen werd hij geknipt bevonden om de kinderprogramma’s aan te kondigen. En daar viel hem het lumineuze idee te binnen om die opdracht te vervullen met de assistentie van het pluchen knuffelhondje dat luistert naar de naam Samson. De rest is geschiedenis. Met dank dus aan Dora Van Der Groen.

Voor zijn verlichtende beschouwing over een vermogensbelasting kreeg Verhulst luid applaus van op de ondernemersbanken. Jo Libeer, gedelegeerd bestuurder van VOKA, liet meteen in de krant optekenen dat de culturele sector maar eens een voorbeeld zou moeten nemen aan Verhulst.

Het hoeft niet te verbazen. Libeer is immers ook zo iemand die alleen al bij de gedachte aan subsidie jeuk en puisten krijgt. Tenminste, als het over cultuursubsidies gaat. Sloten geld om banken en noodlijdende industrieën bij te staan, daar heeft hij het helemaal niet zo moeilijk mee. Libeer is ook zo iemand die vindt dat het maar eens gedaan moet zijn met die belegen artistiekerige fabel die zegt dat kunst en markt niet samengaan, dat kwaliteit en commercialiteit een onmogelijk huwelijk vormen. Onzin, zegt Libeer, want kijk maar eens naar al die succes- en tegelijkertijd kwaliteitsvolle topseries van de Amerikaanse zender HBO. Of wat denk je van VTM, dat zonder subsidies wel eens programma’s maakt die beter zijn dan die van de VRT. En dan natuurlijk Studio 100, dat volgens Libeer een toonbeeld is van het harmonieus samengaan van kwaliteit en verkoopbaarheid. Jo Libeer is zo iemand die gelooft dat kwaliteit zichzelf verkoopt en dat wat niet verkoopt dan wel niet goed zal zijn en maar beter kan verdwijnen.

Maar behalve dat de culturele sector zijn hang naar overheidsgeld nu maar eens moet loslaten, heeft Libeer nog een andere boodschap voor het artistieke volkje, zij het dan wat minder uitgesproken. Hij vertelt ons eigenlijk dat we de verkeerde ambitie hebben. Cultuurmensen hebben het voortdurend over dingen als menselijke ontplooiing, het prikkelen van de fantasie, de verbeelding van nieuwe mogelijkheden en andere werelden, over de schoonheid, de liefde en de troost. Maar wat koop je daar mee? Niets. Nee, zegt Jo Libeer, goed gevulde bankrekeningen, dat moet onze betrachting zijn.

Dus, beste acteurs, schrijvers, schilders, beeldhouwers, muzikanten: ga en wees ondernemend. Creëer een gat in de markt, giet het boordevol met uw sprankelende creativiteit en in geen tijd zal u het goud er in grote hoeveelheden uit kunnen scheppen. Zoek het fortuin, ga voor het grote geld en wees daar, zoals Gert Verhulst het u zegt, niet vies van.

Rijk worden. Persoonlijk fortuin vergaren. Voor mensen als Gert Verhulst en Jo Libeer is dat waar het in dit leven allemaal om gaat. Money makes the world go around. De Franse filosoof Pascal Bruckner schreef er ooit een boek over: “Gij zult rijk worden!” Want inderdaad, het streven naar onmetelijke rijkdom wordt ons van kindsbeen af als een gebod in het hoofd geprent. Rijkdom is het hoogst mogelijke levensdoel. Alleen wie erin slaagt een plekje te veroveren bij het selecte clubje van superrijken, die heeft het écht gemaakt in het leven. En wie het gemaakt heeft, verdient ons aller diepste respect en bewondering. Rijke mensen dien je dus ook met rust te laten. Je stelt hun handel en wandel niet in vraag. En je gaat hen zeker en vast niet de stuipen op het lijf jagen met gruwelijke ideeën zoals een vermogensbelasting.

We moeten dus een voorbeeld nemen aan Gert Verhulst, die ons allemaal heeft wijsgemaakt dat onze kinderen diep ongelukkig zullen worden als hun boekentassen, brooddozen, pennenzakken, potloden, schriften, jassen, t-shirts, schoenen, sokken, mutsen, handschoenen, beddengoed en behangpapier niet bedrukt zijn met Bumba, Plop, Samson of K3. Of we moeten een voorbeeld nemen aan Bart Verhaeghe, de man die al jaren probeert om ons het consumptiepretpark Uplace door de strot te duwen. Is het u al overkomen dat u ’s ochtends opstaat, uit het raam kijkt en denkt: wat zou het toch fijn zijn mochten we zoiets als Uplace hebben. Mij niet. En toch komt Verhaeghe op de televisie verkondigen dat Uplace iets is wat de mensen willen en dat het er dus ook absoluut moet komen. Als hij zijn zin krijgt, zal Uplace in 2018 de deuren openen. En ongetwijfeld zal hij tegen die tijd het grote publiek met alle mogelijke recepten van de marketing ervan overtuigd hebben dat ze Uplace inderdaad willen. Zo moeten we allemaal medewerkers worden van de pretparken van het nutteloze en het overbodige, enkel en alleen opdat de lucky few zich kunnen wentelen in hun bodemloze fortuinen.

Niet alleen wordt het streven naar persoonlijk fortuin ons als een plicht opgelegd, er wordt ons ook voortdurend voorgehouden dat dit streven ons door de menselijke natuur wordt ingegeven. Niets is minder waar. De zucht naar uitzinnige weelde – of zullen we maar beter spreken over hebzucht – is een cultureel gegeven.

Dat komt heel mooi tot uiting in de roman “Oogst” van de Britse schrijver Jim Crace. Ik kan u dat boek zeer warm aanbevelen. Het verhaal speelt zich af in een 17de eeuws landelijk dorp, waar de gronden voor landbouw en veeteelt gemeenschappelijk bezit zijn. De inwoners van het dorp beheren en bewerken deze gronden samen, de opbrengsten zijn voor de gemeenschap. Maar deze gemeenschap wordt op korte tijd volledig verstoort. Om te beginnen komen twee vreemde mannen en een vrouw zich vestigen aan de rand van het dorp. Op dat zelfde moment breekt er brand uit in een schuur. Voor de dorpelingen is de zaak snel duidelijk: de vreemdelingen zijn schuldig. Vanaf dan is de hele gemeenschap volledig in de ban van deze kwestie. Dan komt er plots een landheer opduiken, die beslag legt op alle gronden. Hij wil ze allemaal omheinen en er schapen kweken, wat hem heel wat geld zal opleveren. Hij maakt handig gebruik van dat hele zaakje met die vreemdelingen om zijn plannen haast ongemerkt door te duwen.

In dit fragmentje gaat het over die landheer: “Hij heeft het over Winst, Vooruitgang en Ondernemingszin alsof het zijn persoonlijke muzen zijn. In ons dorp was ‘genoeg’ altijd de leidraad, maar hij stelt zich ten doel er een gemeenschap van te maken waar ‘meer’ de leidraad is, wanneer hij al het land eenmaal heeft omheind en omhaagd en alles – onze akkers, de meent en de ‘nutteloze bossen’ – heeft veranderd in ‘schitterend schapengebied’.”

De roman “Oogst” laat heel goed zien hoe de privatisering van het gemeenschappelijke een gemeenschap in geen tijd ondermijnt en uit mekaar drijft. Hij toont ook aan dat het hierbij gaat om een cultuuromslag, een doelbewuste overgang van een cultuur van het “genoeg” naar een cultuur van het “meer”.

Dat betekent dat een omgekeerde omslag eveneens mogelijk is. En dat is volgens mij de grote uitdaging waar we vandaag misschien meer dan ooit voorstaan. Het is een van de belangrijkste politieke en maatschappelijke opdrachten om te werken aan een cultuuromslag. Van de desastreuze cultuur van het “meer” moeten we vooruit naar een nieuwe cultuur van het “genoeg”. Ik zeg wel degelijk vooruit, want in rechtse kringen wordt een cultuur van het “genoeg” steevast afgeschilderd als ouderwets, tegen de vooruitgang, dodelijk voor creativiteit en innovatie. Niets is minder waar. De cultuur van het “genoeg” is de meest progressieve gedachte die je vandaag kan verdedigen.

De culturele sector speelt hierin een belangrijke rol. Kunstenaars hebben heel wat troeven in handen om de weg te tonen naar een nieuwe cultuuromslag. Dat moet volgens mij ook hun ambitie zijn, niets anders. De weg bereiden naar een cultuur van genoeg voor iedereen. Een cultuur waar zeker en vast plaats is voor rijkdom, voor heel veel rijkdom zelfs. Maar die rijkdom zal dan wel iedereen toebehoren. Tegenover het “geef mensen de kans om rijk te worden” van Gert Verhulst, zeg ik: geef mensen het recht om collectief rijk te zijn. Laten we vooral dààr niet vies van zijn.

Tot slot nog dit. Een paar dagen geleden kreeg ik een mail van de VDAB, om mij een vacature voor te stellen. Of ik misschien geïnteresseerd ben om “figurenspeler” te worden? Nog nooit van gehoord, maar het klinkt mooi. Zou het een nieuwe, beetje naïeve benaming zijn voor een acteur? Tenslotte is dat toch zo’n beetje wat acteurs doen, figuren spelen. Vol verwachting klik ik dus door naar de vacature.

Het blijkt te gaan om een job bij Plopsa Indoor in Hasselt. Men zoekt daar een “polyvalente, enthousiaste figurenspeler, bij voorkeur met dans- of theaterervaring”. Om wat te doen? Om verkleed als Bumba bij de ingang van het pretpark naar de kindjes te wuiven en hen welkom te heten. Kijk eens aan, er is nog een toekomst voor acteurs die wél toegelaten werden tot de school van Dora Van Der Groen. Misschien is dit wel wat de verantwoordelijken voor het cultuurbeleid bedoelen met die “creatieve industrie”, dat samenwerken tussen kunstenaars en ondernemers, waarbij iedereen er aanzienlijk op vooruit zou moeten gaan. Want let wel, het gaat hier om een job “in een groeibedrijf met informele, open werksfeer tussen gemotiveerde collega’s”. En dat ook nog eens voor een “competitief salaris met extralegale voordelen”. Wie weet schop ik het ooit nog tot kabouter of burgemeester in de Samson-show.

Nee, ik denk niet dat ik voor dit buitenkansje ga solliciteren. De rol van Bumba laat ik toch maar liever aan mij voorbijgaan. Er staat al genoeg nonsens op mijn cv. Ik heb een dochter van twee jaar en half. Niet zonder trots mag ik zeggen dat ze al lang goed en mooi kan praten. Iets wat dat stukje clown na zoveel jaar nog altijd niet kan. “Nani nani”, dat is zowat het meest intelligente wat we uit de mond van dat gele mormel mogen vernemen. En ja, mijn dochter heeft een Bumba-knuffel en regelmatig kijkt ze gefascineerd naar de capriolen van dat infantiele allegaartje in de circustent. Maar meer dan dat ga ik niet bijdragen aan het fortuin van Gert Verhulst. Ik kruip niet in een Bumba-pak om de kindertjes binnen te lokken in zijn pretpark. Omdat ik het nog altijd grondig eens ben met dit citaat van Francine Mestrum: “Armoede is materieel tekort, rijkdom is een tekort aan beschaving.”

Een therapeut voor Benno Barnard en Leon de Winter

Op 1 augustus publiceerde dichter Charles Ducal in De Morgen een scherp gedicht over de Israëlische agressie in Gaza. Op een reactie vanuit pro-Israëlische hoek hoefde de Dichter des Vaderlands niet lang te wachten. Schrijver Benno Barnard doopte zijn pen eens te meer in vitriool en koelde zijn woede in een venijnig opiniestuk op de website van Joods Actueel.

Verrassend was het natuurlijk niet. In een interview met Solidair zei Ducal nog: “Het spijtige is dat wanneer je in dit conflict de kant van de Palestijnen kiest, die keuze altijd begrepen wordt als sympathie voor Hamas, terreur en fundamentalisme. Er hangt vandaag de dag een sfeer waarin elke kritiek op Israël onmiddellijk geïnterpreteerd wordt als antisemitisme. Je zou bijna bang worden om het zionisme nog aan te vallen.” En zie, drie dagen na het verschijnen van het gedicht “As in de mond” had Benno Barnard zijn azijnzure repliek al klaar.

Barnard stelt dat het gedicht beledigend en vernederend is voor élke jood, waar ook ter wereld. Ducal zou alle joden op één hoop gooien en hen allemaal een superioriteitsgevoel verwijten. Wie het gedicht leest, begrijpt nochtans heel goed dat Ducal zich richt tot die joden die doordrongen zijn van de zionistische waan die het verwoestende geweld van bulldozers, tanks en gevechtsvliegtuigen vanzelfsprekend maakt – en dat zijn gelukkig niet àlle joden in Israël, ook niet àlle joden in Antwerpen of waar dan ook. Hén, en alléén hen, legt hij inderdaad een moordend gevoel van “uitverkoren zijn” ten laste.

Dat een erudiet schrijver als Barnard, auteur van doorgaans intellectueel doorwrochte verzen, een toch wel toegankelijk geformuleerd gedicht van Ducal verkeerd zou lezen, is weinig aannemelijk. Nee, Barnard solfert het publiek moedwillig een verwrongen interpretatie op. Omdat hij die nodig heeft om Ducal te kunnen betichten van de moeder aller zonden: het antisemitisme.

Vandaar dat Barnard ook voortdurend herhaalt dat er geen onderscheid bestaat tussen antisemitisme en anti-zionisme. Het laatste is volgens hem niets anders dan een modieuze vorm van het eerste, een soort camouflage die door wie zich ervan bedient niet meer herkend wordt als jodenhaat.

In De Morgen van 2 september 2008 publiceert een platform van intellectuelen en kunstenaars een opiniestuk waarin ze zich beklagen over de manier waarop de pro-Israëlische lobby elke kritiek op de Israëlische bezettings- en annexatiepolitiek de mond tracht te snoeren. “De techniek van deze lobby bestaat erin om kritiek op de Israëlische mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationale recht te pareren door deze gelijk te stellen met haat tegen Israël en tegen de joden in het algemeen. Antisemitisme dus.” Benno Barnard illustreert hoe deze handigheid ook vandaag nog altijd wordt beproefd.

Vrijheid van meningsuiting

Voor Barnard is het eigenlijk allemaal heel eenvoudig. Ducal had dit gedicht gewoon niet mogen schrijven, poneert hij. Een stelling die hij eerst nog ophangt aan het feit dat Ducal Dichter des Vaderlands is. In die functie zou hij verondersteld worden gedichten te schrijven voor alle Belgen. Met “As in de mond” zou hij partij kiezen tegen duizenden joodse landgenoten, wat voor een nationale poëet onbetamelijk zou zijn.

Maar wat verderop klinkt het anders: “Hij moet weten wanneer zwijgen geboden is.” Dat is dus duidelijk. Over het doen en laten van de staat Israël dient gezwegen te worden, zo verordonneren het de zionistische colonnes. Net zoals zij blijkbaar ook aangeven wanneer er wel gesproken dient te worden: “Waarom schrijft die Ducal geen gedicht tegen de jonge moslims in onze straten, die onder de vlaggen van het waanzinnige ISIS tegen Israël – zeg maar: tegen de Joden – demonstreren?”

Het wordt mooi als de ene dichter de andere gaat dicteren waarover hij wel en niet mag schrijven, voor en tegen wie hij zijn pen mag richten. In een door Benno Barnard mee ondertekend antwoord op het eerder aangehaalde opiniestuk uit 2008 staat nochtans: “Een heleboel organisaties, die er een aparte wereldvisie op nahouden, zijn actief bij projecten waarbij de Joodse staat het keer op keer moet ontgelden. Daar is eigenlijk niets mis mee, we leven in een democratie en dragen vrije meningsuiting hoog in het vaandel.” Niet dus.

Haat zaaien

Barnard kan zijn afschuw voor de verzen van Ducal niet genoeg in de verf zetten. “Het is geësthetiseerde haat, afkomstig uit een ideologisch verwrongen geest”, fulmineert hij. Ducal zou een waterdrager van Hamas zijn en verspreider van Palestijnse propaganda die de joden wil afschilderen als de “nazi’s van de Palestijnen”.

Dat deze beschuldigingen van haat zaaien uitgerekend uit de pen van Barnard vloeien, is wel erg curieus. In de voorbije jaren heeft hij zich namelijk ontpopt tot een van de meest rabiate islamofoben in ons land. Aan de zijde van mensen als Wim van Rooy, Sam van Rooy en Mia Doornaert voert hij een ware kruistocht tegen “het fascisme van de islam”. In zijn boek “De Israël Lobby” wijdt Lucas Catherine een volledig hoofdstuk aan de strapatsen van dit gezelschap: hun virulente schotschriften tegen de islam, hun al dan niet geslaagde pogingen om activiteiten rond de Palestijnse kwestie te boycotten, hun geflirt met het Vlaams Belang, de onverbloemde waardering en steun voor Filip Dewinter.

De visie van deze zelfverklaarde redders van de joods-christelijke beschaving wordt door Barnard in De Morgen van 21 april 2009 als volgt samengevat: “De islam als politieke ideologie is een grote zwarte steen van mannelijke agressie, inktzwart obscurantisme en diepe achterlijkheid, gericht tegen alles wat ons dierbaar is of zou moeten zijn”. Niet bepaald een liefdesverklaring.

Lucas Catherine, die door Barnard te pas en te onpas als notoir leugenaar wordt weggezet, wijst op de band tussen deze islamofobie en het fervente zionisme. Het aanhoudend spuwen op de islam is duidelijk een strategie om de Israëlische politiek met betrekking tot het Palestijnse volk tot in der eeuwigheid te kunnen verschonen. De joodse staat strijdt immers een Bijbelse oorlog tegen het Kwaad. “Antisemitisme is de ongrijpbare substantie waarin het Kwaad zich heeft samengetrokken – het is de duivel die zijn mond niet kan houden”, schrijft Barnard op 15 september 2010 op zijn Knack-blog.

Sus van Elzen, oud buitenlandredacteur bij Knack, schrijft op 12 april 2010 op De Wereld Morgen dat Israël onder premier Ariël Sharon begon met het organiseren van zogeheten “task forces” in het buitenland. Die zouden als opdracht hebben de Israëlische regeringspolitiek te promoten. “Waar deze task forces in hoofdzaak op de lokale Joodse gemeenschap georiënteerd zijn, is de inlijving van dichters, journalisten en andere lesgevers die niet gehinderd worden door teveel kennis van zaken, natuurlijk mooi meegenomen. Vandaar het fenomeen Benno.”

Wat er ook van zij, het Israëlische geweld tegen de Palestijnen is wat Barnard betreft meer dan geoorloofd. Bij elke nieuwe explosie staat hij op de eerste rij om de militaire agressie niet alleen te verdedigen, maar ook te minimaliseren. Begin 2009, kort nadat Israël in Gaza op drie weken tijd 1400 mensen doodde, zei Barnard in een debat in Gent: “In de pers worden Palestijnen altijd voorgesteld als arm en zielig en Israël als het tegenovergestelde. Het is oorlog en in een oorlog gebeuren nu eenmaal wreedheden.” Aan Israëlische zijde vielen in dezelfde drie weken vier doden.

Sympathie en steun voor de Palestijnen komt volgens Barnard alleen voort uit linkse kortzichtigheid. In het voorwoord van het boekje “Het gespleten geweten” van Antwerps gemeenteraadslid André Gantman (N-VA) schrijft hij: “De Palestijnen poseren met een zeker dramatisch talent als slachtoffer, en links is van oudsher dol op slachtoffers. Bovendien koestert ook Hamas een utopie. En utopisten herkennen hun soortgenoten, net als honden.”

Nog begin 2009 ondertekent Barnard een opiniestuk waarin gesteld wordt dat een onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden begaan door Israël alleen maar zou wijzen op selectieve verontwaardiging: “De stemmen die nu moord en brand schreeuwen tegen Israël hebben weinig ondernomen om Rusland, de VS of de NAVO door een oorlogstribunaal te laten veroordelen. De beschuldigingen aan het adres van Israël kunnen derhalve niet anders worden beschouwd dan als pogingen om de Joodse staat te demoniseren. En ze zijn veelal ingegeven door mensen die het basisprincipe van Israëls bestaansrecht betwisten, en zo elke duurzame vredesoplossing onmogelijk maken.”

In zijn kritiek op het gedicht van Ducal lezen we nog deze opmerkelijke zin: “Als de Geallieerden proportioneel geweld hadden gebruikt, vochten we nu nog altijd tegen Hitler.” Het disproportionele geweld in Gaza vandaag wordt opnieuw als noodzakelijk voorgesteld. Israël is immers, zoals Barnard op 2 juli 2009 in Joods Actueel schreef, “de enige voorpost van de beschaving te midden van woestijnen vol islamitische verschrikkingen.”

Cultuur van de dood

Om zijn beschuldigingen aan het adres van Charles Ducal en zijn steun aan Israël kracht bij te zetten, roept Barnard de hulp in van de Nederlandse schrijver Leon de Winter, die vanuit Tel Aviv aan de Nederlandse krant De Telegraaf over de vijandelijkheden rapporteert.

Op 28 juli schrijft De Winter in een opiniestuk op de nieuwssite Dagelijkse Standaard dat er sinds 1950 veel meer moslims omkwamen in conflicten met andere moslims dan in het conflict met Israël. Daaruit meent de schrijver dan ook te moeten concluderen dat het aantal doden in Gaza maar een klein getal vormen en, voor de goede verstaander, dan ook best gerelativeerd kunnen worden. Hij voegt er nog aan toe dat moslims, gezien hun “tribale eer-schaamtecultuur”, niet zoveel problemen hebben met het uitroeien van de vijand en zijn familie. Het gaat dus toch maar om bloeddorstig, oorlogszuchtig en wraakzuchtig volk. Who cares?

Volgens de Winter is de huidige oorlog precies wat Hamas wil: “Hamas wil dat Israël de bevolking van Gaza raakt. Hamas wil dat Gaza bloedt. De oorlog die Hamas nu strijdt, is namelijk een publiciteitsoorlog om sympathie en daarmee financiële steun te krijgen.” Dat het conflict om grond zou draaien, verwerpt hij ten stelligste: “Dit Israëlisch-Palestijns conflict is geen conflict om grond. Dat is het nooit geweest. Het is een conflict tussen culturen. Tussen die van het leven en die van de dood.”

De Winter heeft zo zijn eigen verklaringen voor de volgens hem in de Palestijnse cultuur gewortelde gewelddadigheid. Het is allemaal te wijten aan overbevolking. Veel te veel volk op een veel te klein gebied. Als gevolg daarvan hebben jonge mannen in Gaza geen toekomstperspectief meer. Dat leidt tot frustratie. Bovendien is hun sociaal-economische situatie zo slecht dat ze geen vrouw vinden. En volgens hun geloof mogen ze voor het huwelijk geen seks hebben. Nog meer frustratie. En al die frustratie projecteren ze dan maar op de joden. Overigens is de Winter er ook van overtuigd dat die overbevolking een bewuste strategie is. Er moet immers genoeg reserve aan strijdkrachten zijn voor de heilige oorlog tegen de joden.

In een toespraak in november 2012 zei de Winter: “De Gazanen behoren tot de snelst groeiende volken in de wereld. Er is geen hoop voor al die mensen in die zandbak. Ze zullen gefrustreerd en woedend blijven, en al hun armoede en gebrek aan levenslust en gebrek aan toekomstverwachtingen en het gebrek aan plezier en seks en lol en alles wat het leven de moeite waard maakt, aan Israël en de joden verwijten. Houdt u het volgende voor zich, anders word ik hiervoor in de media, die al zo gek op mij zijn, weer aangevallen, maar ik zeg het toch (let op, dit is sarcasme): misschien moet in het geheim een anticonceptie middel aan het drinkwater in Gaza worden toegevoegd.” De Winter kreeg hierna inderdaad bakken kritiek over zich heen. Maar ja, het was maar een sarcastisch grapje, toch?

Ongetwijfeld het hoogtepunt in de beschouwingen van Leon de Winter treffen we in zijn bijdrage aan De Telegraaf van 15 juli 2014: “Al dat gepraat en ge-onderhandel over grond en nederzettingen leidt tot niets omdat het echte vraagstuk niet wordt aangeraakt: het gaat om het zelfbeeld van de Palestijnen. Het gaat om psychologie. Ze kunnen niet bestaan met het besef dat ze overvleugeld zijn door Joden. In het wilde weg duizenden raketten afvuren is pure waanzin, maar die waanzin komt voort uit een ziektebeeld. Maak ik nu van de Gazanen psychiatrische patiënten? Ja. Er is geen redelijk argument te bedenken voor hun gedrag. Er valt in hun zelfgekozen mentale en fysieke gevangenis niets te winnen, behalve de claim dat zij door beesten worden onderdrukt, en daarom zijn zij zoals zij zijn, vertellen ze ons indirect. Dus maken zij van de Israëliërs de beesten die zij in hun waan nodig hebben.”

Extremist onder de extremisten

Dat heel veel Palestijnen klaar zijn voor de geestelijke gezondheidszorg, lijdt geen twijfel. Artsen zonder Grenzen schrijft: “Kinderen die dergelijke vormen van agressie moeten ondergaan, zijn bijzonder angstig en ervaren erg veel psychologische spanning. Ze worden overstelpt door emoties die ze nog niet de baas kunnen. Dergelijke gebeurtenissen zijn nefast voor hun ontwikkeling. Op moreel vlak gaan ze eronderdoor.” En de Israëlische journalist Gideon Levy schrijft op 15 januari 2009: “De kinderen van Gaza die overleven zullen het niet vergeten.”

Maar ook de heren Barnard en de Winter zouden misschien wel gebaat zijn bij een bezoek aan een therapeut. In een eerste sessie zouden ze dan misschien de volgende fragmenten kunnen lezen uit een brief van Nourit Peled-Elhanan, docent taal en onderwijs aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem en de Universiteit van Tel Aviv. In september 1997 kwam haar veertienjarige dochter om bij een Palestijnse zelfmoordaanslag in Jeruzalem. Ze schreef daarna een open brief aan Benyamin “Bibi” Netanyahou, met als titel: “Bibi, wat heb je gedaan?” Nourit Peled-Elhanan houdt niet de Palestijnen, maar het Israëlische beleid verantwoordelijk voor het leed dat haar treft. Misschien kan de lectuur van deze fragmenten een eerste stap zijn om Barnard en de Winter van hun zionistische koorts te genezen:

“Sinds dertig jaar voert Israël een politiek beleid dat zowel voor ons als voor onze buren desastreus is. ‘Wij’ hebben grote gebieden bezet, mannen en vrouwen vernederd en beroofd, huizen en gewassen vernietigd. Noodgedwongen is de weerslag gekomen. Men kan een volk niet doden, uithongeren, opsluiten in enclaves en vernederen zonder dat het op een dag ontploft. Dat is wat de geschiedenis leert. Maar ‘Bibi’ heeft niet de minste notie van geschiedenis.

Voor mij is er in ieder geval geen verschil tussen de terrorist die mijn dochter heeft gedood en de Israëlische soldaat die bij een versperring een zwangere Palestijnse vrouw niet doorliet om naar het ziekenhuis te gaan, zodat ze uiteindelijk haar kind verloor. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer de Palestijnen ons hadden behandeld zoals wij hen behandelen, ‘wij’ bij hen een terreur hadden gezaaid die honderd keer erger was. Vergeet niet dat elke Palestijnse familie, of toch bijna, iemand heeft geofferd – gedood of gewond – in een halve eeuw van conflict waarin onze twee volkeren tegenover elkaar staan.

Hoe zou een Palestijn wiens huis door de bezettingsmacht gedynamiteerd werd, moeten reageren? In de bezette gebieden werden gedurende dertig jaar duizenden huizen willekeurig vernield, en dan spreken we nog niet over de dorpen die na de oorlog van 1967 weggeveegd werden. En wat zou een boer moeten doen wanneer zijn olijfbomen uitgetrokken worden om plaats te maken voor een joodse kolonie? Sommige van die uitgerukte olijfbomen werden zelfs naar Jeruzalem gebracht en herplant – wat een schande! – op een terrein dat de naam van Martin Luther King draagt.

Het zijn onze daden die aan de basis liggen van het terrorisme. Trouwens, “Bibi” heeft de mentaliteit van een terrorist. Heel zijn denken concentreert zich op de confrontatie. Voor hem is de vrede een luchtspiegeling, zelfs een valkuil. Hij heeft niets anders dan het woord “terrorisme” in de mond. In elk gesprek, elke toespraak, bij elke persconferentie gebruikt hij het. Voor hem is het terrorisme overal. Maar hij begrijpt niets van de natuur van dit fenomeen. Vandaag heeft hij de zekerheid sterker te zijn dan zijn Palestijnse tegenstander, waarin hij een vijand ziet die vernietigd moet worden. Vandaar die catastrofale politiek…

Wie hem persoonlijk gekend heeft, weet dat “Bibi” een extremist onder de extremisten is. Het is een man van het verleden. Als hij het woord “vrede” of “verzoening” hoort, trekt hij zijn pistool.

Om deze verschrikkelijke cyclus van provocaties, haat, bloed en vernieling te stoppen, moet er een eind komen aan deze gevaarlijke en onverantwoordelijke macht die met onze levens speelt, met het lot van onze kinderen, met de toekomst van ons land. Als deze waanzin niet stopt, zullen de vlammen van de oorlog ons allemaal verteren.”

 

Aanbevolen lectuur:

“Gaza, geschiedenis van de Palestijnse tragedie” – Lucas Catherine en Charles Ducal.

“De Israël Lobby” – Lucas Catherine.

“De etnische zuivering van Palestina” – Ilan Pappe.